ECLI:NL:RBDHA:2020:8808
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor zelfstandige zonder wezenlijk Nederlands belang
Eiser, een ondernemer in edelstenen en sieraden, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf aan om een winkel in Amsterdam te openen en rechtstreeks aan consumenten te verkopen. Verweerder wees de aanvraag af omdat volgens de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geen wezenlijk Nederlands belang werd gediend met de zelfstandige arbeid van eiser.
Eiser voerde aan dat verweerder niet verplicht was het RVO-advies te volgen en dat het advies niet inzichtelijk was, onder meer vanwege onduidelijkheid over de puntentoekenning voor solvabiliteit. Ook stelde eiser dat hij voldoende capaciteiten had en dat zijn onderneming succesvol was, wat onvoldoende werd meegewogen. Daarnaast stelde eiser dat de hoorplicht werd geschonden doordat geen hoorzitting werd gehouden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt mocht stellen dat geen wezenlijk Nederlands belang werd gediend. Het RVO-advies was zorgvuldig en inzichtelijk gemotiveerd, en eiser had dit niet met een contra-expertise weerlegd. De motivering over de solvabiliteit was voldoende en niet onredelijk. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf voor arbeid als zelfstandige wordt ongegrond verklaard.