ECLI:NL:RBDHA:2020:8753
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting ondanks lopende procedures
Verzoeker is geïnformeerd over zijn uitzetting naar Marokko gepland op 7 september 2020. Hij maakte bezwaar tegen de feitelijke uitzetting en verzocht om een voorlopige voorziening om deze uitzetting te voorkomen zolang zijn lopende procedures nog niet zijn afgerond.
De voorzieningenrechter overwoog dat de uitzetting een handeling betreft die gelijkgesteld wordt aan een besluit op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker stelde dat zijn recht op een eerlijk proces wordt geschaad doordat hij niet aanwezig kan zijn bij de mondelinge behandeling van zijn beroepen, en dat de uitzetting onomkeerbare gevolgen kan hebben.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verweerder om tot uitzetting over te gaan zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om bij de zitting aanwezig te zijn. De vrijheidsontnemende maatregel staat de uitzetting niet in de weg en wordt opgeheven bij uitzetting. Bovendien kan de gemachtigde van verzoeker namens hem het woord voeren.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter op 4 september 2020 en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting is afgewezen omdat het belang van uitzetting zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om bij de zitting aanwezig te zijn.