ECLI:NL:RBDHA:2020:8725
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie en binding met land van herkomst
Eiseres, met Ghanese nationaliteit, vroeg op 24 april 2019 een visum voor kort verblijf aan om familie te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden onvoldoende waren aangetoond, eiseres onvoldoende financiële middelen had aangetoond en het niet kon worden vastgesteld dat zij Nederland tijdig zou verlaten.
In beroep stelde eiseres dat zij niet de gelegenheid had gekregen haar bezwaren mondeling toe te lichten en dat verweerder niet had aangegeven welke aanvullende bewijsstukken nodig waren. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit niet onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat verweerder terecht had vastgesteld dat de familierechtelijke relatie niet met objectieve bewijsstukken was onderbouwd.
De rechtbank overwoog verder dat verweerder terecht had geoordeeld dat de sociale en economische binding met Ghana onvoldoende was aangetoond, waardoor redelijke twijfel bleef bestaan over het voornemen van eiseres om Nederland tijdig te verlaten. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter E.S.G. Jongeneel op 7 september 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.