ECLI:NL:RBDHA:2020:8704

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 augustus 2020
Publicatiedatum
7 september 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 9390
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag vader en kinderen wegens onvoldoende motivering vernietigd

Eisers, een gezin bestaande uit een vader en zijn twee kinderen, vroegen een visum voor kort verblijf aan om familie in Nederland te bezoeken. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af wegens onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst en onvoldoende onderbouwing van de garantstelling.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht stelde dat de vader onvoldoende economische binding had aangetoond, maar dat het ontbreken van sociale en economische bindingen van de kinderen onvoldoende was gemotiveerd. De kinderen volgen een opleiding in het land van herkomst, wat niet voldoende door de staatssecretaris was betrokken.

Daarnaast had de staatssecretaris moeten meewegen dat een zus van de vader en haar dochter eerder met een visum naar Nederland waren gekomen en tijdig waren teruggekeerd, wat de terugkeervrees had moeten verminderen.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat een nieuw besluit binnen vier weken moet worden genomen, waarbij ook de garantstelling die in beroep was overgelegd moet worden betrokken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de visumaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/9390
V-nummers: [V-nummer eiser 1]
[V-nummer eiser 2]
[V-nummer eiseres]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedatum] , van Palestijnse nationaliteit, eiser 1, en
[eiser 2],
geboren op [geboortedatum] , van Palestijnse nationaliteit, eiser 2, en
[eiseres],
geboren op [geboortedatum] , van Palestijnse nationaliteit, eiseres, hierna te noemen:
eisers
(gemachtigde: [naam] ),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers van 26 maart 2019 tot verlening van een visum voor kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 november 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Op 3 december 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.
Met inachtneming van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep openstaat.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat verweerder binnen vier weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1050,--;
  • draagt verweerder op het door eisers betaalde griffierecht van € 174,-- te vergoeden.

Motivering

Feiten en omstandigheden
1. Eisers zijn een gezin bestaande uit vader, zoon en dochter. Eisers wonen in de Palestijnse gebieden en hebben een visum kort verblijf aangevraagd om familie te bezoeken. Ze willen de ouders (opa en oma) en de jongere broer (oom), die in Nederland wonen, bezoeken. In de Palestijnse gebieden wonen drie zussen (tantes) van eisers. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
Besluitvorming
2. Verweerder heeft de visumaanvragen van eisers afgewezen omdat zij volgens verweerder onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst hebben en omdat de garantstelling niet voldoende is onderbouwd. Verweerder is bang dat eisers niet terugkeren naar Palestijnse gebieden.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van eiser 1, de vader, verweerder terecht gesteld heeft dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij werkzaam is als [beroep] en dat daarmee sprake is van economische binding. Verweerder heeft echter het ontbreken van de sociale en economische binding van eiser 2 en eiseres, de kinderen, onvoldoende onderbouwd. In bezwaar is een vragenlijst overgelegd, waarin wordt aangegeven dat een verklaring overgelegd moet worden wanneer eisers naar school gaan. Eisers hebben dat ook gedaan. Als verweerder in dat kader meer stukken ter onderbouwing wil zien, dan moet dat vooraf door verweerder duidelijk worden gemaakt en dat is niet gebeurd. Als verweerder, zoals op de zitting is gesteld, een schoolrooster of cijferlijsten van eiser 2 en eiseres wil zien, dan is het aan verweerder om vooraf inzichtelijk te maken dat die stukken – naast de wel vooraf aangegeven verklaring van de school – overgelegd dienen te worden. Eiser 2 en eiseres volgen kennelijk een opleiding in het land van herkomst. Dat is een omstandigheid die duidelijk moet worden betrokken in het kader van de sociale binding en in dat verlengde de vrees dat eisers niet (tijdig) zullen terugkeren. Omdat de economische en sociale binding in samenhang door verweerder wordt beoordeeld, had verweerder dit beter moeten motiveren in zijn besluitvorming.
4. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers ook terecht aangevoerd dat verweerder bij zijn beslissing had moeten betrekken dat een zus van eiser 1 en haar dochter eerder al met een visum naar Nederland zijn gekomen en weer tijdig zijn teruggekeerd. De zus is ook op familiebezoek geweest bij onderhavige ouders en jongere broer. De jongere broer was ook de garantsteller voor de zus en haar dochter. Het verschil tussen deze zaak en de zaak van de zus is dat de echtgenoot van de zus achterbleef in het land van herkomst. Dat maakt de situatie weliswaar anders, maar dat betekent niet dat verweerder aan deze omstandigheid geen waarde hoeft te hechten.
5. Dit is waarom de rechtbank oordeelt dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; met een waarde per punt van € 525,-- en een wegingsfactor 1) en het griffierecht. Verweerder moet binnen een termijn van vier weken een nieuw besluit nemen. De rechtbank geeft verweerder mee de garantstelling die in beroep is overgelegd ook te betrekken bij het nieuwe besluit. Temeer nu de aanvraag van de zus en haar dochter met deze garantsteller om een visum kort verblijf wel is ingewilligd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
mr. K.H.E. Swinkels mr. A.K. Mireku
griffier
rechter
afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.