ECLI:NL:RBDHA:2020:8703

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 augustus 2020
Publicatiedatum
7 september 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 10222
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 4:84 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang ongegrond verklaard

Eiser, een Pakistaanse student, had een verblijfsvergunning voor studie die op 20 juni 2019 met terugwerkende kracht per 12 december 2018 werd ingetrokken vanwege onvoldoende studievoortgang en afmelding door de onderwijsinstelling.

Eiser voerde aan dat de intrekking onterecht was vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder de noodzaak om terug te keren naar Pakistan voor een nieuwe machtiging tot voorlopig verblijf, wat volgens hem een belemmering vormde voor zijn studiedoel.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. De terugkeer naar Pakistan werd niet als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 Awb Pro beschouwd. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het verzoek tot vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht werd wel toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning studie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 19/10222 (beroep)
AWB 19/10223 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 12 maart 2020 in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Pakistaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde [naam] ),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van eiser onder de beperking ‘studie’ ingetrokken met terugwerkende kracht met ingang van 12 december 2018. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 december 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Op 30 december 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Gelijktijdig met het beroep heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.
Met inachtneming van artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen twee weken een afschrift van deze uitspraak ontvangen en dat partijen binnen vier weken na de verzending van het afschrift hoger beroep kunnen instellen tegen de uitspraak op het beroep. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 19/10222, verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 19/10223, wijst het verzoek af.

Motivering

Griffierecht
1. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft hij een ingevulde verklaring van afwezigheid van inkomen en vermogen overlegd. Gelet daarop wijst de rechtbank het verzoek tot vrijstelling van het griffierecht toe.
Feiten en omstandigheden
2. Eiser was vanaf 9 mei 2016 in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’, omdat hij aan de [naam] in [plaatsnaam] studeerde. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht met ingang van 12 december 2018, omdat eiser vanaf die datum door de [naam] als student was afgemeld. Eiser is afgemeld omdat hij onvoldoende studievoortgang had. Eiser voldeed daarmee niet meer aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning was verleend, nu geen sprake meer was van een referent.
Beroepsgronden eiser
3. Eiser voert aan dat de intrekking onterecht is geweest in verband met bijzondere omstandigheden. Eiser moet door de intrekking terug naar Pakistan voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), terwijl zijn doel om in Nederland te studeren niet is veranderd. Hij moet daar opnieuw geld inzamelen voor een nieuwe aanvraag. Dat is een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet onterecht is. Op het moment dat eiser door zijn referent, de [naam] , per 12 december 2018 werd afgemeld, voldeed eiser niet meer aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. Verweerder moest de vergunning intrekken omdat eiser per die datum is gestopt met zijn studie aan de [naam] . Dat is geen beleid, waardoor geen mogelijkheid is om er op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb van af te wijken. Het terug moeten keren naar Pakistan is verder geen bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser, als hij binnen twee jaar een nieuwe referent vindt, zonder een mvv – en dus zonder terug te hoeven keren naar Pakistan – een nieuwe aanvraag kan indienen.
5. De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden. Gelet op het primaire besluit en hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, was er geen twijfel over dat het bezwaar van eiser ongegrond was. Dat betekent dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en verweerder mocht daarom van het horen afzien.
6. Het beroep is ongegrond. Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat de rechtbank hiermee op het beroep heeft beslist.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
mr. K.H.E. Swinkels mr. A.K. Mireku
griffier (voorzieningen)rechter
afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.