ECLI:NL:RBDHA:2020:8701

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2020
Publicatiedatum
7 september 2020
Zaaknummer
AWB 20/2231
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55b AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:12 Awb
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar in vreemdelingenzaak

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank had eerder het bezwaar gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Verweerder heeft deze termijn ruimschoots laten verstrijken en stelde zich op het standpunt dat de coronamaatregelen de besluitvorming bemoeilijkten.

De rechtbank overweegt dat verweerder ondanks de coronamaatregelen redelijkerwijs binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 200 per dag op met een maximum van € 15.000 vanwege de overschrijding van de termijn. Tevens wordt vastgesteld dat verweerder reeds het maximale bedrag van € 1.442 aan dwangsommen heeft verbeurd.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 262,50 en draagt hem op het betaalde griffierecht van € 178 aan eisers te vergoeden. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen zes weken alsnog een besluit te nemen onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/2231

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2020in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum 1] , V-nummer: [#]

[eiser 2], geboren op [geboortedatum 2] , V-nummer: [##]
van Eritrese nationaliteit, eisers
[referent] , referent
(gemachtigde: mr. M.L. van Riel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2017 heeft verweerder de aanvragen van referent tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf aan eisers in het kader van nareis afgewezen.
Bij besluit van 27 augustus 2018 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 januari 2019 (AWB 18/7092) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 augustus 2018 vernietigd en bepaald dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Verweerder heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 6 december 2019 (201901075/1/V1) heeft de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank van 14 januari 2019 bevestigd.
Eisers hebben op 16 maart 2020 beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
Verweerder heeft op 15 april 2020 een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 20 mei 2020 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de zaak tot nader bericht wordt aangehouden aan omdat besluitvorming nog niet kan plaatsvinden door omstandigheden die samenhangen met de coronamaatregelen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.
Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Nu de rechtbank bij uitspraak van 14 januari 2019 verweerder heeft opgedragen binnen zes weken na verzending van die uitspraak een nieuw besluit te nemen en geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend had verweerder uiterlijk op 25 februari 2019 op het bezwaar moeten beslissen. Een ingebrekestelling is in dit geval niet vereist. Desondanks hebben eisers verweerder op 13 januari 2020 in gebreke gesteld.
6. Het beroep is kennelijk gegrond.
7. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Op grond van het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.
8. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift van 15 april 2020 op het standpunt gesteld dat met ingang van 16 maart 2020 zich een omstandigheid voordoet (coronavirus) die de mogelijkheden van verweerder om te beslissen op aanvragen om een verblijfsvergunning ernstig beperken. Verweerder kan geen uitspraak doen omtrent de vraag wanneer in individuele gevallen een besluit zou kunnen worden genomen. Op 1 april 2020 heeft verweerder eisers een brief gestuurd dat naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank nader onderzoek is vereist, maar dat dit momenteel vanwege het corona virus niet mogelijk is.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder dient gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank van 14 januari 2019. De uitspraak laat in beginsel geen ruimte aan verweerder om anders dan binnen zes weken na die uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Het is echter ook duidelijk dat verweerder gelet op de maatregelen rond het coronavirus enige tijd niet of moeizaam in staat was om het opgedragen nader onderzoek binnen zeer korte termijn te doen. Nu echter de coronamaatregelen zijn versoepeld en verweerder verder niet heeft geconcretiseerd waaruit het nader onderzoek zal bestaan, acht de rechtbank het redelijk om verweerder op te dragen om uiterlijk binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen.
10. De rechtbank ziet tegelijk in het feit dat verweerder ook vóór de coronamaatregelen de door de rechtbank opgelegde termijn ruimschoots heeft laten verstrijken, aanleiding daaraan een hogere dwangsom te koppelen dan gebruikelijk. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
11. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank indien het beroep gegrond is desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. Eisers hebben op 17 maart 2020 verzocht om vaststelling van deze dwangsom.
12. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daarop volgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
13. Ingevolge artikel 4:18, eerste lid, van de Awb stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.
14. De rechtbank stelt vast dat verweerder na de uitspraak van de rechtbank van 14 januari 2019 en na het verstrijken van de beslistermijn op 25 februari 2019 nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen en dat inmiddels (ook na de coronaperiode van 16 maart 2020 tot 16 mei 2020) meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder inmiddels het maximale bedrag van € 1.442,- heeft verbeurd.
15. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 256,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,5).
16. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op het bezwaar gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb heeft verbeurd van in totaal
€ 1.442,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 262,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid
N. Joacim, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.
Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.