ECLI:NL:RBDHA:2020:8697
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak Dublinoverdracht
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat zij wordt overgedragen aan de Poolse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, omdat er gelijktijdig een bodemprocedure liep (zaak NL20.14957) waarin de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Hierdoor was een voorlopige voorziening niet langer nodig.
Wel is de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op €525,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter S. Ok en griffier M.A.J. Arts, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoekster.