ECLI:NL:RBDHA:2020:8515
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen Dublin-overdracht aan België
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn geplande feitelijke overdracht aan België op grond van de Dublin-verordening. Hij verzocht om een voorlopige voorziening om de overdracht tijdelijk te verhinderen, omdat hij de behandeling van zijn bezwaar niet in Nederland mocht afwachten.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker bij bijzondere spoed het landelijke spoedpiket had moeten bellen om zijn verzoek tijdig te laten behandelen. De overdrachtsbesluiten zijn in rechte vast komen te staan en verzoeker is niet in vreemdelingbewaring, maar kan niet zonder gevolgen weigeren mee te werken aan de overdracht. De overdrachtstermijn was nog niet verlopen, mede doordat eerdere ordemaatregelen waren komen te vervallen en een nieuwe termijn van zes maanden was aangevangen.
De rechtbank benadrukt dat de Dublin-verordening snelle overdrachten beoogt en dat het starten van een reguliere procedure het risico inhoudt dat de overdracht plaatsvindt voordat die procedure is afgerond. Verzoekers bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan België is afgewezen omdat de overdrachtstermijn niet was verlopen en het bezwaar geen redelijke kans van slagen had.