De rechtbank Den Haag behandelde op 18 augustus 2020 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds oktober 2019 bij zijn moeder in Nederland verblijft, terwijl de vader in Duitsland woont. De ouders zijn gehuwd geweest en oefenen gezamenlijk gezag uit, maar zijn in een conflict verwikkeld over de situatie rondom het kind.
De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is het verzoek te behandelen en stelt vast dat de situatie van de minderjarige ernstig bedreigd wordt door de complexe echtscheidingsproblematiek en het loyaliteitsconflict tussen de ouders. De minderjarige heeft nauwelijks contact met zijn vader en broer, wat schadelijk wordt geacht voor zijn ontwikkeling.
De ouders hebben ingestemd met de ondertoezichtstelling en staan open voor hulpverlening. De rechtbank acht een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging weg te nemen en een neutrale derde te betrekken bij het zoeken naar oplossingen.
De maatregel wordt voor drie maanden opgelegd, met mogelijkheid tot herroeping, en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. Een beslissing over teruggeleiding van het kind naar Duitsland volgt in een aparte procedure.