ECLI:NL:RBDHA:2020:8491
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen besluit in bezwaarprocedure over rechtspositie ambtenaar na wetswijziging
Eiser, werkzaam als groepswerker bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, verzocht op 17 december 2019 om wijziging van de status van zijn functie als substantieel bezwarend. De minister van Binnenlandse Zaken wees dit verzoek bij brief van 5 maart 2020 af. Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd op 6 mei 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek werd aangemerkt als een verzoek tot wijziging van een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen bezwaar mogelijk is.
De rechtbank oordeelt dat de brief van 5 maart 2020 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat het geen publiekrechtelijke rechtshandeling betreft. Dit volgt uit het feit dat de minister sinds 1 januari 2020 niet meer beschikt over een publiekrechtelijke bevoegdheid om besluiten te nemen over de rechtspositie van ambtenaren, door de inwerkingtreding van de Ambtenarenwet 2017.
Eiser stelt dat zijn verzoek op individueel niveau betrekking heeft op zijn functie en dat dit wel een besluit oplevert waartegen bezwaar mogelijk is. De rechtbank wijst dit af en bevestigt dat de minister niet bevoegd is om dergelijke besluiten te nemen. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid om civielrechtelijke stappen te ondernemen tegen de brief van 5 maart 2020.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. De uitspraak is gedaan door rechter J.L.E. Bakels op 4 september 2020 en kan binnen zes weken worden bestreden door verzet.
Uitkomst: Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van 5 maart 2020 geen besluit is in de zin van de Awb.