ECLI:NL:RBDHA:2020:8460
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolging in Iran
Eiseres, van Iraanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van bedreigingen door voormalige partners en seksueel misbruik door haar broer, alsmede vanwege haar afvalligheid van de islam en het maken van islamkritische kunst. Verweerder wees het verzoek af, stellende dat de bedreigingen niet aannemelijk zijn en dat eiseres zich aan bescherming kan onttrekken door elders in Iran te verblijven.
De rechtbank oordeelt dat de reactietermijn van een week op het tweede voornemen niet onredelijk was. De rechtbank acht de verklaringen over geloof en afvalligheid summier en onvoldoende aannemelijk gemaakt. Er is geen bewijs dat eiseres in Iran vervolgd wordt vanwege haar kunstuitingen of geloofsrichting. Ook het seksueel misbruik door haar broer is niet aannemelijk en vond lang geleden plaats.
De rechtbank concludeert dat eiseres geen reëel risico loopt op mensonterende behandeling of vervolging bij terugkeer naar Iran. De beroepsgronden falen, en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolging in Iran.