ECLI:NL:RBDHA:2020:8124

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
25 augustus 2020
Zaaknummer
NL20.14922
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 6 Verblijfsrichtlijn
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod wegens niet-gelijkstelling met Unieburger

Eiser, met Albanese nationaliteit, kreeg op 25 juli 2020 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hij stelde in beroep dat hij rechtmatig verblijf had in het Verenigd Koninkrijk op basis van de Verblijfsrichtlijn en dat hij daarom gelijkgesteld moest worden met een Unieburger, waardoor het inreisverbod niet van toepassing zou zijn.

De rechtbank overwoog dat het inreisverbod terecht is opgelegd omdat eiser niet is gebleken gelijkgesteld te zijn met een Unieburger. Het verblijfsdocument uit het Verenigd Koninkrijk was onvoldoende bewijs vanwege de slechte leesbaarheid en tegenstrijdigheid met eerdere verklaringen van eiser. Tevens is het Verenigd Koninkrijk uitgezonderd van de werking van het inreisverbod, waardoor het verblijfsrecht in het VK het inreisverbod niet belemmert.

Eiser voerde aan dat overleg met het Verenigd Koninkrijk had moeten plaatsvinden, maar de rechtbank volgde de staatssecretaris dat dit niet verplicht was. Ook werd geoordeeld dat eiser niet rechtmatig verblijf in Nederland heeft omdat hij niet wordt begeleid door of zich voegt bij een Unieburger in Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet gelijkgesteld is met een Unieburger.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.14922

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. Sönmez),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen.
Eiser heeft op 3 en 7 augustus 2020 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 10 augustus 2020 een reactie ingediend. Eiser heeft vervolgens op 10 augustus 2020 en verweerder op 18 augustus 2020 nog een nadere reactie ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Albanese nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op
[geboortedag] 1982. Eiser is voorafgaand aan het opleggen van het bestreden besluit gehoord.
2. In het terugkeerbesluit heeft verweerder vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. In het proces-verbaal van gehoor is vermeld dat eiser heeft verklaard dat hij drie weken geleden voor het eerst naar Europa is gekomen. Verder heeft hij verklaard dat hij naar Europa is gekomen om naar Engeland te gaan en daar te werken. Hij wil op illegale wijze Engeland binnenkomen. Eiser heeft verklaard geen rechtmatig verblijf te hebben in een Europees land, nooit rechtmatig verblijf te hebben aangevraagd en geen familie in Nederland of Europa te hebben.
4. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij rechtmatig verblijf in het Verenigd Koninkrijk heeft. Hij mag daar wonen en werken en heeft verblijfsrecht vanaf 23 mei 2019 tot 23 mei 2024 op grond van Richtlijn 2004/38 (Verblijfsrichtlijn). Hij heeft een verblijfsdocument overgelegd waaruit dit blijkt. Eiser heeft deze omstandigheid niet eerder met verweerder gedeeld omdat hij kort terug wilde naar Albanië en geen behoefte had om over zijn privéomstandigheden te spreken. Hij mag echter wel in het Schengengebied blijven en Richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn) is niet op hem van toepassing omdat hij moet worden gelijkgesteld met een Unieburger. Verweerder kan eisers verblijfsrecht controleren bij de Britse autoriteiten.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Eiser betoogt dat de Terugkeerrichtlijn niet op hem van toepassing is, omdat hij gelijkgesteld moet worden met een Unieburger. Eiser heeft hiertoe een kopie van een verblijfsvergunning uit het Verenigd Koninkrijk overgelegd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat hiermee niet vast staat dat eiser rechtmatig verblijf op grond van de Verblijfsrichtlijn heeft in het Verenigd Koninkrijk. Zo is slechts een slecht leesbare kopie overgelegd zodat niet kan worden vastgesteld of de verblijfsvergunning authentiek is. Daarbij is het hebben van een verblijfsvergunning voor het Verenigd Koninkrijk in strijd met de door eiser in het gehoor afgelegde verklaringen. De rechtbank volgt verweerder voorts in zijn betoog dat eiser enkel rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van artikel 6, tweede lid, van Verblijfsrichtlijn wanneer de Unieburger hem begeleidt of zich bij hem voegt in Nederland. In dit geval is niet gebleken dat de Unieburger eiser begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt. Het is daarom niet gebleken dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dat de Terugkeerrichtlijn niet op hem van toepassing zou zijn.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder de, verder onbetwiste, gronden terecht aan het Terugkeerbesluit ten grondslag gelegd. Reeds uit deze gronden volgt dat in dit geval het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, zodat verweerder niet verplicht was eiser een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden.
6. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet Pro van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw. Nu eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en niet is gebleken dat hij gelijkgesteld moet worden met een gemeenschapsonderdaan, heeft verweerder terecht het inreisverbod opgelegd.
7. De rechtbank volgt daarbij verweerder in zijn betoog dat het Verenigd Koninkrijk is uitgezonderd van de werking van het inreisverbod. Het inreisverbod staat dan ook niet in de weg aan het gestelde verblijfsrecht van eiser in het Verenigd Koninkrijk.
8. In zijn reactie op het verweerschrift betoogt eiser dat verweerder met het Verenigd Koninkrijk had moeten overleggen voordat verweerder overging tot het opleggen van het bestreden besluit. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat, nu het inreisverbod niet in de weg staat aan het gestelde verblijfsrecht in het Verenigd Koninkrijk, verweerder niet gehouden was om ingevolge de Schengenuitvoeringsovereenkomst of het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 januari 2018 (C-240/17) navraag te doen bij het Verenigd Koninkrijk.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is gedaan op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.