Uitspraak
dREchtbank DEN Haag
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten, verweerder
[derde-partij](vergunninghouder), te Voorschoten.
Rechtbank Den Haag
Bij besluit van 7 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op een woning. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter constateerde dat het besluit direct uitvoerbaar is zodra aan de gestelde voorwaarden is voldaan, waardoor sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker stelde onder meer dat de constructie onveilig zou zijn en dat de tekeningen niet overeenkomen met de aanvraag. De rechter stelde vast dat er voorwaarden zijn opgenomen die de constructieve veiligheid waarborgen en dat de aanvraag bepalend is voor de uitvoering.
Verder was er kritiek op de deskundigheid en onpartijdigheid van de Welstandscommissie en op de wijze van communicatie voorafgaand aan de hoorzitting. De voorzieningenrechter vond echter geen concrete aanwijzingen voor ondeskundigheid of onpartijdigheid en oordeelde dat verzoeker voldoende gelegenheid had om te reageren.
Ten aanzien van de welstandscriteria en afwijkingen daarin gaf de commissie een gemotiveerd advies om af te wijken van de nota. De voorzieningenrechter achtte dit advies en het besluit van het college redelijk en zag geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de dakopbouw is afgewezen.