ECLI:NL:RBDHA:2020:8002
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteit en familierelatie
Eiser, een minderjarige Eritrese, verzocht om een machtiging voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij de referent die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierelatie. Eiser kon geen officiële identiteitsdocumenten overleggen en stelde bewijsnood te hebben vanwege zijn minderjarigheid.
De rechtbank oordeelde dat de indicatieve documenten die eiser aanvoerde, zoals een doopakte en een Soedanese werkvergunning, onvoldoende substantieel bewijs vormden. Ook was de familierechtelijke relatie met de vermeende biologische ouders niet aannemelijk gemaakt, ondanks dat identiteitsdocumenten van deze ouders waren overgelegd. Er was geen toereikende verklaring voor het ontbreken van officiële documenten.
De rechtbank stelde vast dat nader onderzoek niet geïndiceerd was, mede omdat er geen gedetailleerde en overtuigende verklaringen waren over het ontbreken van documenten. Het beroep werd ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om griffierechtvrijstelling toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter P.J.M. Mol op 16 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van identiteit en familierelatie.