ECLI:NL:RBDHA:2020:7952
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, met Kameroense nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder wees dit verzoek af op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag volgens de Dublinverordening. Nederland heeft een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat is geaccepteerd.
Eiser vreesde dat hij in Duitsland onrechtvaardig zou worden behandeld, onder meer vanwege een lopende strafzaak en mogelijke detentie en uitzetting, wat volgens hem het recht op een eerlijk proces zou schenden. De rechtbank vond echter dat eiser deze vrees onvoldoende had onderbouwd, mede omdat Duitsland net als Nederland gebonden is aan het EVRM en het EU-Handvest en eiser zich bij problemen tot de autoriteiten kan wenden.
Daarnaast voerde eiser aan dat hij psychische problemen heeft die een toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen, zodat Nederland zijn aanvraag alsnog zou moeten behandelen. De rechtbank oordeelde dat verweerder dit terecht niet heeft gedaan, omdat eiser geen objectieve en verifieerbare medische stukken had overgelegd en niet aannemelijk had gemaakt dat medische zorg in Duitsland niet beschikbaar is.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Eversteijn op 13 juli 2020 en kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van zijn asielaanvraag is ongegrond verklaard.