ECLI:NL:RBDHA:2020:794
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs bekering Bahá’í en sociale groep vrouwen Iran
Eiseres, een Iraanse vrouw, diende een asielaanvraag in met het argument dat zij afvallige is van de Islam en zich heeft bekeerd tot het Bahá’í-geloof. Tevens stelde zij dat zij als vrouw in Iran vervolgd wordt. Verweerder wees de aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid omtrent haar bekering en het ontbreken van bewijs dat vrouwen in Iran als een specifieke sociale groep worden vervolgd.
De rechtbank oordeelt dat eiseres een verblijfsvergunning heeft als gezinslid van haar dochter, maar dat zij een zelfstandig verblijfsrecht kan verkrijgen indien haar asielaanvraag wordt ingewilligd, waardoor het beroep ontvankelijk is. De rechtbank volgt de uitleg van de Afdeling bestuursrechtspraak en het HvJ EU over de criteria voor een sociale groep en stelt vast dat vrouwen in Iran niet als homogene sociale groep kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank vindt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een oprechte godsdienstige overtuiging heeft die vervolging rechtvaardigt. Ook is niet gebleken dat zij een politieke opinie heeft die haar bedreigt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van bekering en sociale groep.