ECLI:NL:RBDHA:2020:790
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende bewijs bekering Bahá’í-geloof en sociale groep vrouw in Iran
Eiseres, een Iraanse vrouw, heeft asiel aangevraagd in Nederland met het argument dat zij is afvallig van de Islam en zich heeft bekeerd tot het Bahá’í-geloof. Tevens stelde zij dat zij als vrouw in Iran vervolging riskeert. De staatssecretaris wees haar aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onvoldoende bewijs van vervolging.
De rechtbank overwoog dat vrouwen in Iran niet als homogene sociale groep kunnen worden aangemerkt, omdat zij geen gemeenschappelijk kenmerk delen dat fundamenteel is voor hun identiteit of morele integriteit. Ook is niet gebleken dat eiseres een politieke overtuiging heeft die haar vervolging zou kunnen rechtvaardigen. De rechtbank stelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar bekering tot het Bahá’í-geloof oprecht is, mede vanwege het ontbreken van overtuigende verklaringen over haar motief en het proces van bekering.
Daarnaast werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro betreffende familie- en gezinsleven verworpen, omdat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheid of hechte persoonlijke banden zijn tussen eiseres en haar meerderjarige dochter en kleindochter. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van vervolging en oprechte bekering.