ECLI:NL:RBDHA:2020:7860
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang asielzoekster
Verzoekster ontving op 2 juli 2020 een brief van het COa waarin werd meegedeeld dat haar opvang per 22 juli 2020 wordt stopgezet. Zij stelde hiertegen beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van het COa als een besluit moet worden aangemerkt en dat hij bevoegd was het verzoek te behandelen.
Verzoekster stelde dat zij op grond van artikel 7.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 recht heeft op opvang gedurende haar hoger beroepsprocedure. De voorzieningenrechter verwierp dit, verwijzend naar het arrest Gnandi en het arrest X en Y, waarin is vastgesteld dat het Nederlandse systeem geen automatische schorsende werking toekent aan hoger beroep in asielzaken en dat dit in overeenstemming is met Unierecht.
Verder kon verzoekster geen rechtsgrondslag aandragen voor voortzetting van de opvang op basis van haar persoonlijke omstandigheden. De voorzieningenrechter concludeerde dat het recht op opvang was geëindigd met de eerdere uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de bodemprocedure en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de opvang wordt afgewezen.