ECLI:NL:RBDHA:2020:7805
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen oplegging vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet
Eiseres, van Armeense nationaliteit, werd op 24 juni 2020 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij zij verplicht werd te verblijven in de vrijheidsbeperkende locatie Vlagtwedde. Eerder was haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen en was het beroep daartegen ongegrond verklaard. Eiseres voerde onder meer aan dat verweerder geen belangenafweging had gemaakt, dat zij onzorgvuldig was gehoord zonder bijstand, en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank oordeelde dat verweerder wel degelijk een belangenafweging had gemaakt, waarbij rekening was gehouden met de medische situatie van eiseres en dat uit het dossier niet bleek dat eiseres haar medische situatie concreet had gespecificeerd. Het proces-verbaal van het gehoor was niet onzorgvuldig, aangezien het vooral de verklaring van 24 juni 2020 weergaf. Verder bestond geen wettelijke verplichting voor bijstand door een rechtshulpverlener bij het gehoor. Ook was eiseres geen rechtmatig verblijf meer toegekend, waardoor zij geen recht meer had op opvang buiten de vrijheidsbeperkende locatie. Ten slotte was het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel proportioneel en was geen lichter middel passend.
Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel wordt ongegrond verklaard.