ECLI:NL:RBDHA:2020:7681
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na gegrondverklaring beroep verblijfsvergunning
Verzoeker had een aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand bleven. In de procedure voor de voorlopige voorziening oordeelde de voorzieningenrechter dat het verzoek om voorlopige voorziening moest worden afgewezen omdat het beroep reeds was beslist.
De voorzieningenrechter veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op €525,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Er werd geen vergoeding toegekend voor het verschijnen ter zitting in de voorlopige voorziening, aangezien deze gelijktijdig met de beroepsprocedure werd behandeld.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M. van Nooijen en griffier E. Frieling, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen en de staatssecretaris is veroordeeld tot betaling van proceskosten.