ECLI:NL:RBDHA:2020:7626
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag.
De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Oostenrijk. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Oostenrijk zal worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hij heeft geen onderbouwing geleverd van structurele systeemfouten in de Oostenrijkse asielprocedure of opvangvoorzieningen.
Ook heeft eiser niet overtuigend aangetoond dat hij geen bescherming kan verwachten tegen de bedreigingen die hij vreest in Oostenrijk. De rechtbank acht het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig genomen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg en griffier A.M. Zwijnenberg op 14 juli 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.