ECLI:NL:RBDHA:2020:7613
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens achterhouden nationaliteit en oplegging inreisverbod
Eiser, een staatloze Palestijn geboren in Syrië, kreeg op 21 augustus 2018 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd toegekend. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, trok deze vergunning op 23 december 2019 met terugwerkende kracht tot 18 maart 2018 in en legde een inreisverbod van twee jaar op, omdat eiser onjuiste gegevens had verstrekt dan wel gegevens had achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid.
Eiser voerde aan dat hij niet de Syrische nationaliteit bezit, maar alleen staatloos is, en betwistte niet de Amerikaanse nationaliteit. Verweerder baseerde zich op een Interpol Red Notice waaruit bleek dat eiser zowel de Syrische als de Amerikaanse nationaliteit bezit en dat hij in de Verenigde Staten wordt gezocht wegens een strafbaar feit. De rechtbank oordeelde dat verweerder de intrekking van de vergunning deugdelijk had gemotiveerd en dat de Amerikaanse nationaliteit van eiser, als veilig land van herkomst, tot afwijzing van de asielaanvraag zou hebben geleid.
Eiser is niet verschenen bij de zitting en heeft het standpunt van verweerder niet bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel en het opgelegde inreisverbod wordt ongegrond verklaard.