ECLI:NL:RBDHA:2020:7594

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 augustus 2020
Publicatiedatum
10 augustus 2020
Zaaknummer
20/3698
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen stopzetting uitkering Participatiewet

Verzoeker maakte bezwaar tegen de tijdelijke stopzetting van zijn uitkering op grond van de Participatiewet en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij een spoedeisend belang, doorgaans een financiële noodsituatie.

Uit het dossier bleek dat de uitkering inmiddels was hervat en dat verzoeker in juni 2020 een bedrag van € 623,50 had ontvangen, wat niet wijst op een financiële noodsituatie. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter besloot het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond af te wijzen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de stopzetting van de uitkering is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/3698

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 augustus 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. S. Karkache),

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder(gemachtigde: L. de Wit).

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de tijdelijke stopzetting van de uitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter kan ingevolge 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in verzoekers geval van deze bevoegdheid gebruik te maken.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Dat is het geval wanneer sprake is van een financiële noodsituatie.
4. Daarvan is in verzoekers geval echter geen sprake. Verzoeker is opgekomen tegen de tijdelijke stopzetting van zijn uitkering in mei 2020. Uit het dossier komt naar voren dat verweerder de betaling van verzoekers uitkering inmiddels weer heeft hervat. Dat betekent dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Zijn betoog dat verweerder hem in de maand juni 2020 te weinig heeft uitbetaald maakt dat niet anders. In die maand heeft verweerder hem blijkens het door verzoeker overgelegde bankafschrift toch nog een bedrag van € 623,50 overgemaakt. Dat duidt er in ieder geval niet op dat verzoeker in een financiële noodsituatie verkeert. Nu een spoedeisend belang ontbreekt, moet het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is op 3 augustus 2020 gedaan door mr. O.M. Harms, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier.
Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
de griffier is verhinderd deze uitspraakmede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.