ECLI:NL:RBDHA:2020:7589

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 augustus 2020
Publicatiedatum
10 augustus 2020
Zaaknummer
AWB - 19 / 10257
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 62 Vw 2000Art. 62a Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeersbesluit en inreisverbod wegens illegaal verblijf ongegrond verklaard

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verbleef jarenlang illegaal in Nederland en kreeg op 8 december 2019 een terugkeersbesluit opgelegd met een inreisverbod van twee jaar. Hij werd gehoord door de politie en verklaarde een samenwonende vriendin te hebben. De staatssecretaris legde het besluit op vanwege het illegale verblijf en het ontbreken van een geldig reisdocument, en stelde dat het inreisverbod een sanctie is die niet in strijd is met het recht op familieleven.

Eiser voerde aan dat hij een langdurige relatie heeft en dat hij op grond van artikel 8 EVRM Pro recht heeft op verblijf vanwege zijn familieleven. De rechtbank oordeelde dat het terugkeersbesluit rechtmatig was omdat eiser niet rechtmatig verbleef en geen uitzonderingssituaties van artikel 62a Vreemdelingenwet 2000 van toepassing waren. Daarnaast hoeft bij een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken geen toetsing aan artikel 8 EVRM Pro plaats te vinden.

Ten aanzien van het inreisverbod concludeerde de rechtbank dat de staatssecretaris alle relevante feiten had meegewogen en dat het opleggen van het inreisverbod niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, mede omdat eiser zijn relatie onvoldoende had onderbouwd en niet was gebleken dat de vriendin afhankelijk is van eiser. De rechtbank wees erop dat eiser een aanvraag voor verblijf kan indienen indien hij rechtmatig verblijf wenst op grond van artikel 8 EVRM Pro.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Biever en griffier G.A. Verhoeven op 10 augustus 2020.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeersbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/10257

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.S. Jordan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser opgedragen binnen een termijn van 28 dagen de Europese Unie te verlaten en hem een inreisverbod opgelegd van 2 jaar.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft per beeldverbinding plaatsgevonden op 22 juli 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [gebortedag] 1981 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij is voorafgaand aan het opleggen van het bestreden besluit gehoord door de politie eenheid Den Haag. In het gehoor heeft eiser, onder meer, verklaard een vriendin te hebben waarmee hij samenwoont.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit opgelegd omdat eiser reeds vele jaren illegaal in Nederland verblijft en zich aan het toezicht heeft onttrokken. Verder is eiser niet in het bezit van een geldig reisdocument. Omtrent de vriendin van eiser overweegt verweerder dat het inreisverbod een sanctie wegens het illegale verblijf in Nederland is en dat niet is gebleken dat de vriendin afhankelijk is van de hulp van eiser. Ook overweegt verweerder dat hij zijn recht op gezinsleven op een andere wijze kan voortzetten, bijvoorbeeld door familieleden dan wel zijn vriendin te ontvangen in zijn land van herkomst. Ook kan het inreisverbod worden opgeheven als eiser een aanvraag indient voor langdurig verblijf en hij voldoet aan de vereisten.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat zijn partner in Nederland verblijft en eiser voornemens is om een aanvraag in te dienen voor verblijf bij deze partner. Hij heeft ruim vier jaar een relatie met zijn partner en stelt dat er sprake is van privé- of familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en hij op grond daarvan verblijfsrecht heeft. Verweerder heeft deze omstandigheid niet dan wel onvoldoende betrokken in de besluitvorming.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser ten tijde van de oplegging van het terugkeerbesluit niet rechtmatig in Nederland verbleef. Dit betekent dat op hem op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in beginsel de verplichting rust Nederland te verlaten. Dit is alleen anders als zich één van de in die bepaling genoemde uitzonderingssituaties voordoet, wat niet het geval is. Dat betekent dat verweerder op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 niet alleen bevoegd, maar ook verplicht was om een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
4.2.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de bescherming van zijn familieleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, overweegt de rechtbank dat verweerder bij een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken niet aan dat artikel hoeft te toetsen.
4.3.
Ten aanzien van het inreisverbod stelt de rechtbank vast dat verweerder alle door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op basis van die aspecten niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het opleggen van het inreisverbod geen strijd oplevert met artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder kon zich daarbij op het standpunt stellen dat eiser zijn relatie onvoldoende heeft onderbouwd en niet is gebleken dat de vriendin van eiser van hem afhankelijk is.
4.4.
In de omstandigheid dat eiser voornemens is om een aanvraag voor verblijf op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in te dienen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Indien eiser rechtmatig verblijf wenst op grond van artikel 8 van Pro het EVRM kan hij daarvoor een aanvraag indienen en kan het inreisverbod worden opgeheven.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier. De uitspraak is gedaan op 10 augustus 2020.
de rechter is verhinderd te
ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.