Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Inleiding: aard van de zaak
4.Overwegingen omtrent het bewijs
- in de hals waren er huidverkleuringen en onderhuidse bloeduitstortingen. Ook waren er bloeduitstortingen in de onderhuidse weke delen en spieren van de hals.
- in de bindvliezen van beide oogleden waren meerdere stipvormige bloeduitstortingen.
5.Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte
“Al die jaren dat ik misbruikt ben geweest eh…Zat me heel erg dwars, elke dag. En…ik kreeg eh…Het idee om met hem in gesprek te gaan daar over. Met die pedofiel, met die man die me jaren heeft misbruikt. (…) Een paar jaar dat hij mij misbruik heeft maar ik heb er jaren mee gelopen (…) Ik heb zelfs slapeloze nachten, dat ik met zweet wakker wordt en dat ik het gevoel heb dat hij me weer aanrandde, en misbruikte, en dat is heel erg, gewoon vies gevoel, echt een heel vies gevoel”.
“Daarop ging er weer van alles door me heen. Ik werd weer bang, ik was verdrietig, ik werd boos, maar ik wou het niet, ik wou niet aangerand worden”.
“omdat hij zich schaamde”.Dat merkt de rechtbank evenwel niet aan als een aannemelijke verklaring voor het achterwege laten van een kennelijk (zoals uit de latere verklaringen van de verdachte zou moeten volgen) voor de verdachte zo belangrijke feitelijkheid. De verdachte heeft immers in datzelfde eerste verhoor uitgebreid verklaard over het misbruik dat in het verleden zou hebben plaatsgevonden en hoe vies hij zich voelde bij de gedachte dat hij weer werd aangerand. Daarmee valt niet te verenigen dat de verdachte zich geremd zou voelen om niet meteen te verklaren dat nu juist een herhaling van die aanranding zo’n belangrijke rol heeft gespeeld bij zijn handelen tegenover het slachtoffer op 20 oktober 2018. Wat dan wel de reden is geweest dat de verdachte eerst later over deze beweerde aanranding door het slachtoffer heeft gesproken is onduidelijk. Mogelijk was het een psychotische beleving (waaraan de verdachte volgens gedragsdeskundigen onderhevig is) dan wel een voortschrijdend inzicht omtrent zijn in te nemen procespositie. Maar deze inconsistenties in de verklaringen van de verdachte doen afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring als geheel omtrent het gebeurde tussen hem en het slachtoffer op 20 oktober 2018.
6.De op te leggen straf en/of maatregel
nietmet de officier van justitie eens dat bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf doorslaggevend zou moeten zijn dat ingevolge artikel 38, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht de door het PBC geadviseerde tbs met voorwaarden niet kan worden opgelegd tezamen met een gevangenisstraf langer dan vijf jaren. De rechtbank acht het dan ook onjuist om – gelijk de officier van justitie met zijn eis heeft gedaan – de op te leggen gevangenisstraf te verlagen tot vijf jaren, teneinde de oplegging van tbs met voorwaarden mogelijk te maken. Niet alleen zou dat de met strafoplegging te dienen doelen van vergelding en normbevestiging ten onrechte achterstellen bij het strafdoel speciale preventie, ook wordt daarmee het karakter van tbs met voorwaarden miskend. Of deze ‘lichtere’ vorm van tbs kan worden opgelegd, is immers niet alleen afhankelijk van de bereidheid van de verdachte om mee te werken aan eventueel op te leggen voorwaarden, maar ook van de ernst van het delict en het gevaar voor recidive. [8] Bij zeer ernstige delicten, zoals in onderhavige zaak, is oplegging van tbs met voorwaarden niet aangewezen.
7.De vordering tot tenuitvoerlegging
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
impliciet primairten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
impliciet subsidiairten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
8 (ACHT) JAREN;