ECLI:NL:RBDHA:2020:7515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
7 augustus 2020
Zaaknummer
NL20.9326
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 Algemene wet bestuursrechtVerordening (EU) nr. 604/2013Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt dat Nederland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, tenzij eiser aannemelijk maakt dat dit niet kan. De door eiser overgelegde informatie, waaronder het AIDA-rapport en zijn persoonlijke verklaringen, bieden onvoldoende grond om te concluderen dat Frankrijk structurele tekortkomingen vertoont die het vertrouwensbeginsel ondermijnen.

Eiser heeft gesteld mishandeld te zijn in Frankrijk en medische klachten te hebben, maar heeft dit niet voldoende onderbouwd. Ook is niet gebleken dat Frankrijk hem geen bescherming kan bieden of dat overdracht aan Frankrijk leidt tot een situatie in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

De rechtbank acht het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig genomen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Frankrijk wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.9326
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G. Ocak), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. de Vita).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen per brief geïnformeerd over haar voornemen om de zaak buiten zitting af te doen. Geen van de partijen heeft aangegeven dat zij een zitting noodzakelijk vinden. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Eiser voert aan dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ten aanzien van Frankrijk kan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Frankrijk houdt zich volgens eiser niet aan de
verdragsverplichtingen en de Procedurerichtlijn, Kwalificatierichtlijn en de Opvangrichtlijn. Na overdracht aan Frankrijk zal eiser worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), in verband met structurele ernstige problemen ten aanzien van opvang, voorzieningen, detentie, medische zorg en rechtsbijstand. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar een uitspraak van het Verwaltungsgericht Amsberg van 25 april 2019, waaruit volgens eiser volgt dat hij bij overdracht aan Frankrijk pas na drie maanden toegang zal krijgen tot opvang. Dit is inhumaan, omdat eiser als diabetes patiënt kwetsbaar is. Eiser wijst verder op het rapport 'Country Report: France', update 2018 van AIDA. Eiser heeft verklaard dat hij in Frankrijk is mishandeld en onderdrukt. Hij heeft hier lichamelijke schade aan overgehouden. Eiser stelt dat hij in Duitsland door Iraanse spionnen is bestraald, waardoor er wonden op zijn lichaam zijn ontstaan. Eiser heeft ter onderbouwing een aantal foto´s overgelegd. Eiser is vervolgens ook in Frankrijk gemarteld. Eiser heeft in dit verband geklaagd bij de Franse autoriteiten. De Franse autoriteiten hebben niks met deze klacht gedaan. Eiser heeft ter onderbouwing verschillende documenten in het Frans en Duits overgelegd. Eiser heeft tot slot een eigen verklaring overgelegd met zijn bezwaren tegen een overdracht aan Frankrijk. Eiser voert aan dat verweerder zijn asielaanvraag op grond van het voorgaande op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling zou moeten nemen.
3. De rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
4. De door eiser overgelegde informatie geeft geen aanleiding voor het oordeel dat in Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en/of de opvangvoorzieningen. Uit het AIDA-rapport kan weliswaar worden opgemaakt dat er problemen zijn met de opvang in Frankrijk, maar deze problemen zijn niet dusdanig dat ten aanzien van Frankrijk niet meer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Frankrijk heeft bovendien met het claimakkoord gegarandeerd dat een asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen met toepassing van dezelfde waarborgen die ook in Nederland gelden. Frankrijk is, net als Nederland, partij bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en is gebonden aan het Handvest en de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. De verwijzing naar de uitspraak van de Duitse Verwaltungsgericht Arnsberg maakt het voorgaande niet anders, alleen al omdat die zaak ziet op een individueel geval en het een andere situatie betreft dan die van eiser. Ten aanzien van eiser is niet gebleken dat de autoriteiten in Frankrijk hem bij voorkomende problemen niet zouden kunnen of willen helpen. Eiser heeft wel gesteld dat hij heeft geklaagd bij de Franse autoriteiten, maar heeft dit niet onderbouwd. Eiser heeft een brief overgelegd waaruit blijkt dat het Franse equivalent van de IND kennis heeft genomen van een klacht en is aangegeven dat zij niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de klacht en waarin eiser is doorverwezen naar de Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit vervolgens heeft gedaan.
5. Het persoonlijk relaas van eiser biedt ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen of dat Frankrijk zich niet houdt aan de verdragsverplichtingen. Eiser heeft gesteld dat hij in Frankrijk is mishandeld, maar heeft dit niet onderbouwd. Ook is niet
gebleken dat de Franse autoriteiten hem geen bescherming kunnen bieden. Eiser heeft tot slot weliswaar medische klachten, maar niet gebleken is dat hij in Frankrijk niet de benodigde medische zorg kan krijgen dan wel dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Er bestaat gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van eiser aan Frankrijk een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest, dan wel de richtlijnen. Verweerder was gelet op het voorgaande niet gehouden om het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:
10 juli 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.