ECLI:NL:RBDHA:2020:7184

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2020
Publicatiedatum
31 juli 2020
Zaaknummer
AWB 20/4063
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening inzake familieleven en machtiging voorlopig verblijf

Verzoekster, van Syrische nationaliteit, heeft een aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Zij beriep zich op artikel 8 EVRM Pro en stelde dat sprake is van familieleven met haar meerderjarige dochter en minderjarige kleinkinderen in Nederland.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanvraag voorlopig niet kan worden toegewezen omdat de kans dat het bezwaar succesvol zal zijn klein is. Verweerder heeft betoogd dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen verzoekster en haar dochter, noch hechte persoonlijke banden met de kleinkinderen, mede gelet op de afstandsrelatie door verblijf in het buitenland.

Verzoekster stelde dat zij vanwege haar medische situatie en afhankelijkheid van de familie niet zelfstandig kan functioneren en dat de banden met haar kleinkinderen hecht zijn. De voorzieningenrechter erkent dat verweerder in de bezwaarprocedure nader moet beoordelen of sprake is van familieleven, maar ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter acht het redelijk dat verzoekster het bezwaar in Turkije afwacht, mede omdat er een sociaal netwerk is en financiële ondersteuning vanuit Nederland mogelijk is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de kans op succes van het bezwaar klein is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/4063

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , geboren op [1950] , van Syrische nationaliteit, verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Hijma),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hafdy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 4 juli 2019 tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in de procedure Toegang en Verblijf (TEV) afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door haar dochter [referente] (referente). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Shamoun.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
2. Bij de beoordeling acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft.
Aanvraag verzoekster
3. Verzoekster wil in Nederland verblijven als familie- of gezinslid bij referente, haar meerderjarige dochter. Referente heeft sinds 2019 een asielvergunning en woont in Nederland. Verzoekster heeft bij haar aanvraag een beroep gedaan op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor haar vertrek naar Nederland, woonde referente in Turkije met haar echtgenoot, hun drie kinderen en verzoekster. Voor hen allen is een mvv aangevraagd. De mvv-aanvraag van de echtgenoot en kinderen van referente is op 1 april 2020 toegewezen. Op 21 juli 2020 heeft verzoekster de voorzieningenrechter bericht dat de echtgenoot van referente op 24 juli 2020 samen met de kinderen naar Nederland komt. Op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan zijn zij dus al in Nederland.
4. Het verzoek is er primair op gericht om verzoekster als zijnde in het bezit van een visum feitelijke toegang tot Nederland te verschaffen.
Afwijzing verweerder
5. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen. Volgens verweerder is de weigering om aan verzoekster een verblijfsvergunning te verlenen niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Omdat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, is ook de mvv-aanvraag afgewezen.
6. Er is volgens verweerder in de eerste plaats geen sprake van familieleven tussen verzoekster en referente. Familieleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen wordt alleen aangenomen als er een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is tussen het meerderjarige kind en zijn of haar ouder(s). Die banden moeten zo sterk zijn dat de gezinsleden bij scheiding niet in staat zijn zelfstandig te functioneren. Dit heeft verzoekster volgens verweerder niet aangetoond. De medische situatie van verzoekster is voor verweerder geen reden om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen.
7. Er is volgens verweerder ook geen familieleven tussen verzoekster en haar minderjarige kleinkinderen. Familieleven tussen een minderjarig kind en zijn grootouder(s) wordt alleen aangenomen als er sprake is van hechte persoonlijke banden. Er is volgens verweerder geen band die de gebruikelijke omgang tussen kinderen en hun grootmoeder overstijgt. De band tussen verzoekster en haar kleinkinderen is gangbaar tussen familieleden die in hetzelfde huis samenleven. Verder vindt verweerder van belang dat referente van 2013 tot 2015 in de Verenigde Arabische Emiraten heeft gewoond met haar gezin. De band heeft daardoor voor langere tijd uit een afstandsrelatie bestaan, aldus verweerder.
Gronden verzoek
8. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing. Zij voert het volgende aan.
Over het gezinsleven tussen verzoekster en referente
9. Verweerder heeft volgens verzoekster ten onrechte geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aangenomen tussen verzoekster en referente (dan wel het hele gezin). Verzoekster en referente hebben 25 jaar met elkaar in gezinsverband samengewoond. Na het huwelijk van referente is altijd intensief contact blijven bestaan. Verzoekster zorgde voor de kinderen van referente. Na het overlijden van de echtgenoot van verzoekster in 2012, is zij ingetrokken bij referente en haar gezin. Daar is zij blijven wonen totdat referente naar de Verenigde Arabische Emiraten moest vluchten. In 2015 is verzoekster met een andere dochter naar Turkije gegaan. Toen deze andere dochter zich bij haar echtgenoot in Duitsland kon vestigen is referente naar Turkije gegaan om de zorg voor verzoekster weer over te nemen. Dit heeft zij gedaan totdat zij in oktober 2018 uit Turkije vertrok. Verzoekster bleef toen achter in Turkije bij de echtgenoot en kinderen van referente.
10. Verzoekster blijft nu alleen in Turkije achter. Zij is echter niet in staat om te functioneren zonder ondersteuning van het gezin. Verzoekster spreekt de taal niet, kan niet in haar eigen levensonderhoud voorzien en heeft zich tot nu toe enkel staande weten te houden dankzij het gezin. Verzoekster heeft bovendien medische klachten. Bij de behandelingen en controles die zij daarvoor krijgt wordt zij begeleid door de gezinsleden. Ook voor de algemene dagelijkse levensbehoeften is verzoekster afhankelijk van de gezinsleden. Zij kan maar één arm gebruiken, waardoor zij bijvoorbeeld niet zelf kan koken. Verder ziet verzoekster maar met één oog, heeft zij diabetes en heeft zij in 2017 een hartaanval gehad. Het is onverantwoord dat verzoekster in een vreemd land alleen woont, omdat het gevaar bestaat dat zij in een crisissituatie niet snel genoeg medische hulp kan inroepen. Verweerder kan gelet op deze omstandigheden niet volstaan met de opmerking dat verzoekster toegang heeft tot medische zorg. Ter onderbouwing heeft verzoekster een verklaring overgelegd van Union of Medical Care and Relief Organizations (UOSSM). Daar staat in dat zij niet zelfstandig kan wonen en dat zij samen zou moeten wonen met iemand die haar assisteert. Dat is in Turkije niet mogelijk.
11. De andere kinderen van verzoekster kunnen de nodige zorg niet bieden. De andere dochter van verzoekster heeft in Duitsland geen recht op gezinshereniging omdat zij daar zelf in het kader van gezinshereniging is toegelaten. De twee zonen van verzoekster verblijven als vluchteling in Duitsland en hebben op basis van hun verblijfsrecht geen recht om verzoekster te laten overkomen.
Over het gezinsleven tussen verzoekster en haar kleinkinderen
12. Verweerder heeft volgens verzoekster ten onrechte geen hechte persoonlijke banden tussen haar en haar kleinkinderen aangenomen. Het enkele feit dat de relatie tijdens het verblijf van de kleinkinderen in de Verenigde Arabische Emiraten een afstandsrelatie is geweest, wil niet zeggen dat de van jongs af aan bestaande banden zijn verbroken. Het verblijf in de Verenigde Arabische Emiraten was ingegeven door een dreigende arrestatie van de echtgenoot van referente. Verzoekster en haar kleinkinderen zijn het overgrote deel van hun leven samen geweest en de oudste twee kinderen zijn de eerste jaren van hun leven feitelijk door verzoekster opgevoed. Vanaf 2012 woont verzoekster bij haar kleinkinderen in en na een onderbreking wonen zij sinds 2015 weer samen. Het is ondenkbaar voor de kleinkinderen dat zij gescheiden worden van hun oma. De familie komt uit een oorlogssituatie. Zij zijn in Turkije op elkaar aangewezen omdat zij niet kunnen terugvallen op een sociaal netwerk. Zij voelen zich daardoor meer dan in een normale situatie met elkaar verbonden. Verweerder heeft niet onderkend dat daardoor sprake is van hechte banden.
Beoordeling voorzieningenrechter
13. Hoewel verweerder in de beslissing op bezwaar nader zal moeten ingaan op de vraag of sprake is van familieleven tussen verzoekster en referente en tussen verzoekster en haar kleinkinderen, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is als volgt tot dit oordeel gekomen.
14. In het primaire besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat geen sprake is van familieleven tussen verzoekster en referente en tussen verzoekster en haar minderjarige kleinkinderen. Gelet op de informatie die er nu is, is het nog niet zeker dat deze conclusie in de beslissing op bezwaar stand houdt. In de beslissing op bezwaar moet verweerder beoordelen of tussen verzoekster en referente sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties). Het al dan niet bestaan van dergelijk familie- of gezinsleven is een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Bij de beoordeling kunnen financiële of materiele afhankelijkheid, de gezondheid van een van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst van belang zijn. Verder mag gewicht worden toegekend aan de vraag of andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg kunnen geven. Daarbij wordt dus de vraag betrokken of de gestelde afhankelijkheid tussen de betrokken familieleden exclusief is. [1] Verweerder moet in de beslissing op bezwaar aan de hand van deze criteria beoordelen of sprake is van familieleven. Dat heeft hij tot nu toe onvoldoende kenbaar gedaan.
15. Of familie- en gezinsleven bestaat tussen kleinkinderen en grootouders is ook een kwestie van feitelijke aard. Hiervoor geldt een andere maatstaf dan bij ouders en meerderjarige kinderen. Bij kleinkinderen en hun grootouders is het bestaan van beschermenswaardig familieleven afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden (close personal ties/sufficiently close family ties). Deze banden worden doorgaans aangenomen als een grootouder en een kleinkind een tijd hebben samengewoond. [2] Daarvan is in dit geval sprake, dat is niet betwist. Verweerder moet in de beslissing op bezwaar het familieleven tussen verzoekster en haar kleinkinderen heroverwegen.
16. Als verweerder in de beslissing op bezwaar aan de hand van de hiervoor genoemde criteria tot het oordeel komt dat sprake is van beschermenswaardig familieleven, dan staat daarmee evenwel nog niet vast dat verzoekster een mvv moet krijgen. Verweerder maakt daarna namelijk nog een belangenafweging, waarbij het Nederlandse belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid wordt afgewogen tegen het individuele belang van verzoekster om haar familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen.
17. Verweerder heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat een belangenafweging als deze heel zelden in het voordeel van de vreemdeling uitvalt omdat het gezinsherenigingsbeleid is beperkt tot die gevallen waarin artikel 8 van Pro het EVRM verplicht tot verblijfsaanvaarding. In het geval van verzoekster zal dat niet anders zijn. Er is sprake van een objectieve belemmering om het familieleven in het land van herkomst uit te oefenen. Maar omdat verzoekster waarschijnlijk ten laste van de openbare kas zal komen, integratie gezien leeftijd en taalontwikkeling niet te verwachten is, er extra inspanningen worden gevergd omdat bij alle hulpverlening ook een tolk nodig zal zijn en er voor nu een oplossing is, ligt het niet in de rede dat een positieve verplichting tot verblijfsaanvaarding moet worden aangenomen, waarbij de keuze voor referente voor Nederland moet worden gevolgd.
18. De voorzieningenrechter ziet thans onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verzoekster de beslissing op bezwaar niet in Turkije kan afwachten of dat het bezwaar een zo grote kans van slagen heeft dat een nagenoeg onomkeerbare voorlopige voorziening als verzocht in de rede ligt. Daarbij is van belang dat verzoekster in de woning in Turkije kan blijven en dat de familie heeft geregeld dat een vriendin in Turkije regelmatig langskomt bij verzoekster en dat (dagelijks) contact via sociale media mogelijk is. Ook is niet gebleken dat de familie verzoekster vanuit Nederland zo nodig niet financieel kan ondersteunen. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat de nieuwe situatie voor verzoekster moeilijk is, is er naar zijn oordeel geen onhoudbare situatie die maakt dat zij het bezwaar in Nederland moet afwachten. Om dezelfde reden ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om verweerder een termijn te geven waarbinnen hij op het bezwaar moet beslissen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
19. Aangezien ook overigens, gelet op de betrokken belangen, in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat voor het treffen van de gevraagde voorziening, zal het verzoek worden afgewezen.
20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is op 30 juli 2020 gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1003) en de rechtspraak waar in die uitspraak naar wordt verwezen.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2050) en de rechtspraak waar in die uitspraak naar wordt verwezen.