ECLI:NL:RBDHA:2020:7128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2020
Publicatiedatum
29 juli 2020
Zaaknummer
C/09/596733 / FA RK 20-4856
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:268 BWArt. 800 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing ouderlijk gezag moeder en voorlopige voogdij gecertificeerde instelling wegens ernstige zorgen veiligheid minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om de moeder te schorsen in de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige en de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te belasten met de voorlopige voogdij. Dit verzoek werd gedaan op grond van ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige, die sinds maart 2020 feitelijk in Griekenland verblijft op een onbekende locatie. De moeder is in detentie in Griekenland en het gezag wordt niet uitgeoefend, terwijl praktische zaken zoals het aanvragen van een noodpaspoort geregeld moeten worden.

De kinderrechter constateerde dat er sprake is van een acute en ernstige ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige en dat de schorsingsmaatregel noodzakelijk is. Ondanks de lopende ondertoezichtstelling is de situatie zodanig dat onmiddellijke actie vereist is om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen en haar terugkeer naar Nederland te faciliteren. De beschikking tot schorsing van het gezag en voorlopige voogdij werd daarom toegewezen, met een termijn van 29 juli tot 8 augustus 2020, en de verdere behandeling van het verzoek werd aangehouden tot een zitting op 6 augustus 2020.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door de verzoeker en belanghebbenden via hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De moeder wordt geschorst in het gezag en de gecertificeerde instelling krijgt voorlopige voogdij over de minderjarige tot 8 augustus 2020.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/596733 / FA RK 20-4856
Datum uitspraak: 29 juli 2020

Beschikking van de kinderrechter

Schorsing gezag en voorlopige voogdij; spoedvoorziening

in de zaak naar aanleiding van het op 29 juli 2020 ingekomen verzoek van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden(hierna te noemen: de Raad),
betreffende:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats 1] (Griekenland),

hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,
geëmigreerd,
zonder bekende woon-of verblijfplaats,

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .,

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoek, met bijlagen.

Feiten

Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden, is de moeder belast met het ouderlijk gezag.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 september de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 25 september 2019 tot 25 september 2020
met behoud van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
[minderjarige] verblijft feitelijk sinds maart 2020 in Griekenland, op een onbekende verblijfplaats.

Verzoek

Het verzoek strekt er toe ex artikel 1:268, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de moeder te schorsen in de uitoefening van het gezag over [minderjarige] en de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de duur van de schorsing, met toepassing van het bepaalde in artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
Gezien de voorgeschiedenis van het gezin, waarin er sprake is (geweest) van ernstige verwaarlozing en vermoedens van (seksuele) kinderuitbuiting, waarvoor
zowel [minderjarige] als haar broer en zus reeds eerder langdurig uithuisgeplaatst zijn, in
combinatie met de recente ernstige zorgen over de opvoedsituatie van de
kinderen sinds hun thuisplaatsing en het gegeven dat moeder [minderjarige] in maart 2020
heeft achtergelaten in Griekenland, maakt de Raad zich zeer ernstige zorgen
over de veiligheid van de [minderjarige] bij de ouders. De Raad vraagt zich af of het
perspectief van [minderjarige] en haar broer en zus nog bij de ouders ligt. Onderzoek is nodig
om dit nader te onderzoeken.
Ondanks het gegeven dat er momenteel een ondertoezichtstelling loopt is de Raad van mening dat een voorlopige voogdijmaatregel dringend en onverwijld noodzakelijk is. Op 27 juli jongstleden heeft de Raad voor de Kinderbescherming bericht van LJ&R ontvangen dat de moeder thans in Griekenland in detentie verblijft. Onder welke omstandigheden [minderjarige] verblijft en of ze veilig is, is totaal onduidelijk. De verblijfplaats van de vader is onbekend. De moeder kan thans haar gezag over [minderjarige] niet uitoefenen, terwijl er praktische zaken moeten worden geregeld zoals het aanvragen van een noodpaspoort.
Er zal worden getracht om de terugplaatsing van [minderjarige] naar Nederland zo snel mogelijk te realiseren. Ook zullen de komende dagen worden gebruikt om te bezien waar [minderjarige] veilig kan verblijven.

Beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:268, eerste lid BW is voldaan. Op grond van de omstandigheden die de Raad heeft aangevoerd is sprake van een ernstig vermoeden dat de grond(en) voor gezagsbeëindiging is/zijn vervuld en is een schorsingsmaatregel noodzakelijk vanwege een acute en ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] .
De zorgen om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] zijn in de afgelopen periode in ernst toegenomen. [minderjarige] is in maart 2020 met de moeder uit Nederland verdwenen en in mei 2020 niet met de moeder uit Griekenland teruggekeerd.
De moeder zit thans in Griekenland in detentie en het wettelijk gezag over [minderjarige] wordt
niet uitgeoefend. [minderjarige] is samen met de moeder aangehouden, maar onbekend is waar zij verblijft en onder welke omstandigheden.
Hoewel [minderjarige] onder toezicht staat van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering hebben de Griekse autoriteiten aangegeven dat dit niet genoeg is om de terugreis van [minderjarige] naar Nederland mogelijk te maken.
Het verhoor van de verzoeker en de overige belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . De kinderrechter overweegt daartoe dat er gelet op de veiligheid van [minderjarige] direct gehandeld moet worden, zodat zij zo snel mogelijk terug naar Nederland kunnen worden overgebracht. Het verhoor zal op de hierna te melden terechtzitting plaatsvinden.
De kinderrechter zal met analoge toepassing van artikel 800, derde lid, Rv het verzoek tot schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag toewijzen en op grond van artikel 1:268, derde lid, BW zal de kinderrechter de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .

Beslissing

De kinderrechter:
schorst de moeder, [de vrouw], geboren op [geboortedag 2] 1976 te [geboorteplaats 2] , Griekenland, in de uitoefening van het gezag over de minderjarige
[minderjarige];
belast de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met de voorlopige voogdij over [minderjarige] van 29 juli april 2020 tot 8 augustus 2020;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoekschrift voor het overige aan tot de terechtzitting van
6 augustus 2020 te 16.00 uur;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de Raad voor de Kinderbescherming;
- Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;
- de moeder (via de Staatscourant);
- de vader.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.M. Smid-Verhage, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte als griffier en in het openbaar uitgesproken op
29 juli 2020.
Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.