Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, die sinds 2012 in Nederland verblijft zonder verblijfsvergunning, stelde een afgeleid verblijfsrecht te hebben als derdelander-ouder van zijn minderjarige Nederlandse dochter op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk had gemaakt.
De rechtbank overwoog dat het eisen van bewijs van identiteit en nationaliteit een algemeen uitgangspunt is in het Unierecht en dat dit ook geldt voor derdelanders. Het arrest Chavez-Vilchez betrof geen geschil over identiteit en nationaliteit, waardoor het niet tot een versoepeling van dit vereiste leidt.
Eiser had documenten van de Somalische ambassade overgelegd, maar deze werden niet erkend als bewijs vanwege het ontbreken van onafhankelijk onderzoek en inconsistenties in eisers verklaringen over geboorteplaats en identiteitsdocumenten. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht tot afwijzing van de aanvraag en het bezwaar was gekomen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er was geen sprake van schending van de hoorplicht. De rechtbank zag geen aanleiding tot toewijzing van proceskosten. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt.