Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussen
[eiseres], tezamen eisers
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
70 Wat de algemene regel betreft, bepaalt artikel 8, lid 2, van de visumcode dat indien het consulaat van de vertegenwoordigende lidstaat voornemens is een visum te weigeren, het de aanvraag doorzendt aan de bevoegde autoriteiten van de vertegenwoordigde lidstaat, die er vervolgens een definitief besluit over nemen.
71 Wat de bijzondere regel betreft, bepaalt artikel 8, lid 4, onder d), van die code dat de tussen twee lidstaten getroffen bilaterale vertegenwoordigingsregeling het consulaat van de vertegenwoordigende lidstaat in afwijking van de algemene regel kan machtigen om, na onderzoek van de aanvraag, te weigeren een visum af te geven.
72 Met andere woorden, bij gebreke van een andersluidende regeling in de bilaterale vertegenwoordigingsregeling legt de vertegenwoordigende lidstaat, indien hij van mening is dat een visumaanvraag moet worden afgewezen, de aanvraag voor aan de autoriteiten van de vertegenwoordigde lidstaat. Het is de verantwoordelijkheid van laatstgenoemde autoriteiten om het definitieve besluit te nemen. Daarentegen staat het aan de autoriteiten van de vertegenwoordigende lidstaat om de visumaanvraag af te wijzen en het definitieve besluit te nemen, indien de bilaterale vertegenwoordigingsregeling zulks bepaalt.
73 Aangezien artikel 32, lid 3, van de visumcode bepaalt dat het beroep tegen een besluit tot weigering van een visum wordt ingesteld tegen de lidstaat die het definitieve besluit over de aanvraag heeft genomen, hangt, wanneer er sprake is van een vertegenwoordigingsregeling tussen twee lidstaten, de bepaling welke staat bevoegd is om het definitieve besluit te nemen en waartegen dus het beroep moet worden ingesteld, bijgevolg af van de voorwaarden van die regeling.
Beslissing
Rechtsmiddel
Bijlage
a) daarin wordt, indien van tijdelijke vertegenwoordiging sprake is, de termijn vermeld alsmede procedures voor beëindiging van de vertegenwoordiging;
b) daarin kan, in het bijzonder wanneer de vertegenwoordigde lidstaat een consulaat in het betrokken derde land heeft, bepalingen bevatten betreffende de mogelijke beschikbaarstelling van ruimte, medewerkers en financiële middelen door de vertegenwoordigde lidstaat;
c) daarin kan worden bepaald dat aanvragen van bepaalde categorieën onderdanen van derde landen conform artikel 22 door Pro de vertegenwoordigende lidstaat voor voorafgaande raadpleging worden doorgezonden naar de centrale autoriteiten van de vertegenwoordigde lidstaat;
d) in afwijking van lid 2, kan het consulaat van de vertegenwoordigende lidstaat in de bilaterale regeling worden gemachtigd om, na onderzoek van de aanvraag, te weigeren een visum af te geven.