ECLI:NL:RBDHA:2020:6892
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken om voorlopige voorziening in zaak intrekking verblijfsvergunning asiel
Verzoeker en zijn drie minderjarige dochters, allen van Syrische nationaliteit, hebben voorlopige voorzieningen gevraagd tegen besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het bestreden besluit betrof de intrekking van de verblijfsvergunning asiel van verzoeker met terugwerkende kracht en de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging. Daarnaast werden de aanvragen van de dochters tot verlening van verblijfsvergunningen niet-ontvankelijk verklaard.
De voorzieningenrechter behandelde de verzoeken om voorlopige voorziening gelijktijdig met de beroepszaken op 14 juli 2020. Verzoeker en zijn echtgenote waren aanwezig, bijgestaan door een gemachtigde en met tolk. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening alleen mogelijk is indien nog niet op het beroep is beslist. Nu de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het onderliggende beroep, is een voorlopige voorziening niet meer mogelijk. Daarom wijst de voorzieningenrechter de verzoeken af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen omdat op het beroep is beslist.