ECLI:NL:RBDHA:2020:6815
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De rechtbank Den Haag behandelde op 7 juli 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, geboren in 1968. Betrokkene verblijft momenteel in een accommodatie en wordt behandeld vanwege schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, gecombineerd met middelengerelateerde verslavingsstoornissen.
Tijdens de mondelinge behandeling gaf betrokkene aan geen ziekte te ervaren en geen medicatie nodig te hebben. De advocaat voerde aan dat er geen vastgestelde diagnose is en dat opname niet langer gerechtvaardigd is. De psychiater stelde echter dat betrokkene psychotische uitlatingen doet, hinderlijk en agressief gedrag vertoont en momenteel onder dwangmedicatie staat. Er is een reëel risico op terugval bij ontslag, mede door alcoholgebruik en medicatiestaking.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt, waaronder lichamelijk letsel, psychische schade, maatschappelijke teloorgang en gevaar voor de veiligheid van personen. Vrijwillige zorg is niet mogelijk vanwege het ontbreken van ziekte-inzicht. De verplichte zorg omvat onder meer medicatietoediening, medische controles, bewegingsbeperkingen en opname in een accommodatie. Minder ingrijpende maatregelen zijn onvoldoende. De rechtbank wees enkele voorgestelde zorgvormen af, zoals toediening van vocht en voeding en cameratoezicht.
De zorgmachtiging wordt verleend tot en met 22 december 2020, met de mogelijkheid tot het opleggen van beperkingen die betrokkene iets laten doen of nalaten, waaronder medewerking aan ambulante behandeling. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor verplichte zorg tot en met 22 december 2020.