ECLI:NL:RBDHA:2020:6565
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag vergoedingenarrangement voor BOPZ cassatiezaken wegens ontbreken beleidsregels
Eiseres, een advocaat gespecialiseerd in BOPZ-zaken, verzocht de Raad voor Rechtsbijstand om een vergoedingenarrangement voor BOPZ-cassatiezaken waarbij het aantal toe te kennen punten verhoogd zou worden van 6 naar 15, gelijk aan civiele cassatiezaken. Dit verzoek werd bij besluit van 16 juli 2018 afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 6 maart 2019. Eiseres stelde dat de huidige vergoeding niet kostendekkend is en dat BOPZ-cassatiezaken civielrechtelijk van aard zijn.
De rechtbank overwoog dat artikel 39 van Pro het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr) de mogelijkheid biedt om afwijkende vergoedingen te regelen, mits beleidsregels worden vastgesteld en goedgekeurd door de minister. Omdat dergelijke beleidsregels voor BOPZ-cassatiezaken nog niet bestonden, was het afwijzen van het verzoek terecht. De rechtbank erkende dat verweerder een verkenning had uitgevoerd en een traject was ingezet om beleidsregels op te stellen, maar dat deze nog niet gereed waren.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en zag geen reden om de behandeling aan te houden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter C.S.F. de Nijs en griffier J.A. Leijten op 25 maart 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om een vergoedingenarrangement voor BOPZ-cassatiezaken wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van beleidsregels.