ECLI:NL:RBDHA:2020:6564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2020
Publicatiedatum
15 juli 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2289
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArtikel 6c inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2018
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding griffierecht en proceskosten na intrekking beroep tegen piketroosterbesluit

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand om haar niet in te plannen op het piketrooster voor Bopz-zaken in de eerste helft van 2019. Na de bezwaarprocedure heeft verweerder het beleid gewijzigd en het beroep van eiseres tegemoetgekomen. Tijdens de zitting trok eiseres haar beroep in, behoudens het verzoek om proceskostenvergoeding.

De rechtbank constateert dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb verplicht is het betaalde griffierecht van €174,- te vergoeden. Hoewel eiseres zichzelf vertegenwoordigde en daardoor normaal gesproken geen recht heeft op proceskostenvergoeding, heeft verweerder zich bereid verklaard één punt te vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot vergoeding van €525,- aan proceskosten.

De uitspraak is gedaan door rechter C.S.F. de Nijs en griffier J.A. Leijten. Vanwege coronamaatregelen is de uitspraak niet openbaar uitgesproken maar zal deze later alsnog worden gepubliceerd. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/2289

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten eiseres niet in te plannen op het piketrooster voor zaken op grond van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz-zaken) voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019.
Bij besluit van 5 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020.
Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de zaak met nummer 19/2380. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat aan het beroep van eiseres tegemoet is gekomen. Na de bezwaarprocedure heeft verweerder alsnog het beleid veranderd en bepaald dat de Bopz-cassatiezaken niet worden meegenomen bij het bepalen van het aantal van 70 Bopz-toevoegingszaken, genoemd in artikel 6c van de inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2018.
2. Eiseres heeft hierop tijdens de zitting haar beroep ingetrokken, onder handhaving van het verzoek om een proceskostenveroordeling. Eiseres maakt aanspraak op vergoeding van het griffierecht en een proceskostenveroordeling gebaseerd op twee punten. Verweerder heeft zich op de zitting bereid verklaard tot vergoeding van het griffierecht en één punt als proceskostenveroordeling, ondanks het feit dat eiseres hier geen recht op heeft, nu zij zichzelf vertegenwoordigt.
3. De rechtbank hoeft nog enkel te beslissen op het verzoek van eiseres om een proceskostenveroordeling.
Nu verweerder aan eiseres tegemoet is gekomen, is verweerder van rechtswege op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 174,- te vergoeden.
Op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht komt eiseres niet in aanmerking voor vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten, nu er geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleend bijstand, daar eiseres zichzelf vertegenwoordigd heeft. Aangezien verweerder zich op de zitting echter bereid heeft verklaard om één punt te vergoeden, zal de rechtbank verweerder in overeenstemming met dit aanbod veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525,-.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S.F. de Nijs, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.A. Leijten, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dit zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier rechter
de griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.