ECLI:NL:RBDHA:2020:6478
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na ongegrondverklaring beroep
Verzoeker, van Syrische nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 3 maart 2020. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De behandeling van de zaak vond plaats in de context van de coronamaatregelen, waardoor de zitting op 24 maart 2020 kwam te vervallen en de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:83, vierde lid, Awb uitspraak deed zonder zitting. De rechtbank heeft in de bodemzaak het beroep ongegrond verklaard.
Gezien deze uitspraak is het verzoek om voorlopige voorziening niet langer nodig en wordt dit verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.A. Banga, zonder openbare zitting vanwege de coronamaatregelen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen na ongegrondverklaring van het beroep in de bodemzaak.