ECLI:NL:RBDHA:2020:6446
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoeker heeft op 14 april 2020 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. Volgens artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, onder d, Awb, moet een verzoekschrift de gronden van het verzoek bevatten. Dit ontbrak in het ingediende verzoek.
De rechtbank heeft verzoeker bij aangetekende brief van 16 april 2020 gewezen op dit verzuim en hem verzocht binnen twee weken de gronden alsnog te verstrekken, samen met een kopie van het bezwaarschrift en het besluit waartegen het geschil zich richt. De brief is op 20 april 2020 bezorgd.
Verzoeker diende de gronden pas op 27 mei 2020 in, ruim na de gestelde termijn, zonder een verontschuldiging voor het verzuim. Hierdoor is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.P.W. van de Ven op 9 juli 2020 in Haarlem, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet tijdig herstellen daarvan.