ECLI:NL:RBDHA:2020:6234
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijkheid over inkomsten
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor bijstand op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is afgewezen vanwege onvoldoende vaststelling van het recht op bijstand. Dit was het gevolg van onduidelijkheden over contante stortingen en het ontbreken van objectiveerbare onderbouwing van de herkomst van gelden.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker sinds februari 2020 geen uitkering meer ontving en daardoor een spoedeisend belang had. Echter, de verklaringen van verzoeker over zijn inkomsten en werkzaamheden waren tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd, en ook de woonsituatie bleef onduidelijk. De rechtbank volgde de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat bij nieuwe aanvragen de aanvrager moet aantonen dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Gelet op het ontbreken van voldoende bewijs en de onduidelijkheden, concludeerde de voorzieningenrechter dat het recht op bijstand nog steeds niet is vastgesteld. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt afgewezen.