Eiser, van Jemenitische nationaliteit, werd op 14 mei 2020 overgeplaatst van het AZC Sneek naar de opvanglocatie Zoutkamp vanwege een positieve COVID-19-test en quarantaineverplichting. Eiser stelde dat hij feitelijk van zijn vrijheid was beroofd zonder daartoe strekkende maatregel en dat hij onrechtmatig werd vastgehouden in Zoutkamp.
De rechtbank onderzocht de aard van het beroep en concludeerde dat geen sprake was van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. De plaatsing was een rechtstreeks gevolg van het besluit van 13 mei 2020 van de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân, die bewoners van AZC Sneek met COVID-19 of contactpersonen verplichtte mee te werken aan verplaatsing naar Zoutkamp.
De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd was kennis te nemen van het beroep tegen deze maatregel en verwees het beroep door als bezwaar naar de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân. De rechtbank zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en benadrukte dat het beroep niet gericht was tegen het besluit zelf, maar tegen de uitvoering ervan.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.I. van Meel en griffier S. Brussaard, en is niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.