ECLI:NL:RBDHA:2020:6070
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens verblijfsstatus in Italië
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser in Italië een verblijfsstatus heeft. Eiser betoogde dat zijn Italiaanse verblijfsvergunning was verlopen en dat hij door de coronapandemie niet naar Italië kon reizen om deze te verlengen, waardoor hij risico liep op een schending van artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was om contact op te nemen met de Italiaanse autoriteiten of dat zijn status was ingetrokken. De tijdelijke coronamaatregelen en gesloten grenzen rechtvaardigen volgens de rechtbank geen uitzondering. Tevens werd geoordeeld dat eiser als statushouder in Italië een sterke band met dat land heeft, ondanks zijn gezinsleven in Nederland.
De rechtbank verwierp ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het recht op gezinsleven, omdat verweerder terecht had gewezen op de mogelijkheid om een reguliere aanvraag te doen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.