ECLI:NL:RBDHA:2020:6037
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht aan Zweden op grond van Dublinverordening
Eiseres, afkomstig uit Iran, diende asielaanvragen in Hongarije, Zweden en later Nederland in. De Nederlandse staatssecretaris weigerde haar aanvraag in behandeling te nemen, omdat Zweden volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor haar asielprocedure. Eiseres betoogde dat zij door overdracht aan Zweden risico loopt op indirect réfoulement vanwege haar eerdere afwijzing in Zweden en het verschil in toelatingsbeleid tussen Nederland en Zweden.
De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat Zweden zijn internationale verplichtingen jegens haar niet nakomt. De inhoudelijke beoordeling van haar asielverzoek behoort aan Zweden toe, dat gebonden is aan internationale verdragen en Europese richtlijnen. Eiseres kan eventuele klachten over Zweden daar aan de orde stellen.
De rechtbank concludeert dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die een onevenredige hardheid vormen bij overdracht aan Zweden. Verweerder heeft terecht geen inhoudelijke beoordeling van de asielgronden gemaakt en de aanvraag niet aan zich getrokken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot behandeling van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Zweden bevestigd.