ECLI:NL:RBDHA:2020:5812
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gebrek aan bewijs bij beschuldiging beroving met mes en diefstal
De rechtbank Den Haag behandelde op 25 juni 2020 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van beroving met geweld en diefstal met geweld, gepleegd op 28 februari 2020. De officier van justitie stelde dat verdachte en een medeverdachte met messen de benadeelde hadden bedreigd en geld en een telefoon hadden ontvreemd. De benadeelde deed aangifte en gaf een gedetailleerde verklaring.
De verdediging ontkende dat verdachte een mes had en betwistte dat het geld aan de benadeelde toebehoorde. De rechtbank twijfelde aan de betrouwbaarheid van de aangifte en constateerde tegenstrijdigheden, onder meer door chatberichten die duidden op criminele activiteiten van de benadeelde zelf. Ook de verklaring van de medeverdachte schetste een ander scenario zonder bedreiging met messen.
De rechtbank vond het alternatieve scenario aannemelijk en oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te achten. Daarom sprak zij verdachte vrij. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde werd afgewezen vanwege de vrijspraak.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.