ECLI:NL:RBDHA:2020:5658
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening en corona
Eiser, met de [nationaliteit], diende op 29 november 2019 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Dit is gebaseerd op het feit dat eiser op 16 juli 2017 al een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft gedaan.
Eiser stelde dat hij bij terugkeer naar Duitsland geen verblijfsplaats heeft en vreest opnieuw dakloos te worden. Tevens voerde hij aan dat de coronapandemie een overdrachtsbeletsel vormt, waardoor zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling genomen zou moeten worden. De rechtbank oordeelde dat Duitsland in het algemeen voldoet aan de verplichtingen uit Europese richtlijnen en verdragen en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de coronamaatregelen slechts een tijdelijk en feitelijk overdrachtsbeletsel vormen, dat niet specifiek op eiser is toegespitst. Er is geen bewijs dat de overdracht op het moment van het bestreden besluit onmogelijk was. Verweerder heeft daarom terecht besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter mr. L.M. Kos en griffier mr. M.A.J. van Beek op 23 juni 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk is en corona geen individueel overdrachtsbeletsel vormt.