ECLI:NL:RBDHA:2020:5622
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd in verzoek tot consulaire bijstand en arbitrage
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de minister van Buitenlandse Zaken omtrent consulaire bijstand in een strafzaak in de Filipijnen. Tevens verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om onder meer schending van de Vienna Convention on Consular Relations aanhangig te maken bij de Filipijnse regering en arbitrage aan te spannen bij het Internationale Hof van Justitie.
De minister stelde dat de gevraagde acties feitelijke handelingen betreffen en dat het aanspannen van een zaak bij het Internationale Hof van Justitie alleen door de Staat der Nederlanden kan worden gedaan, welke geen bestuursorgaan is. Hierdoor kunnen deze verzoeken niet leiden tot besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor de rechtbank onbevoegd is.
De voorzieningenrechter bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de verzoeken niet voldoen aan de vereisten van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro. Ook het feit dat verzoeker onder erbarmelijke omstandigheden gedetineerd is en tot een risicogroep behoort bij COVID-19-uitbraak doet hieraan niet af.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening. De uitspraak werd gedaan zonder zitting vanwege de coronamaatregelen en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.