ECLI:NL:RBDHA:2020:5559

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2020
Publicatiedatum
22 juni 2020
Zaaknummer
NL20.11724
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Conservatoire maatregel
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring

Eiser, een vreemdeling van [nationaliteit], verblijft sinds 21 januari 2020 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft eerder op 8 mei 2020 geoordeeld dat de maatregel tot die datum rechtmatig was. Het geschil richt zich nu op de rechtmatigheid van de maatregel na 1 mei 2020. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht is op verwijdering vanwege de coronacrisis die de uitzetting naar Marokko heeft belemmerd en het ontbreken van reactie op zijn aanvraag voor een vervangend reisdocument.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken, waaronder die van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en oordeelt dat het enkele tijdsverloop sinds 1 mei 2020 onvoldoende is om tot een ander oordeel te komen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.11724

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Niemer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 maart 2000 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op 10 juni 2020 bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en doet heden uitspraak.

Overwegingen

1. Eiser stelt van [nationaliteit] nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 mei 2020 (in de zaak NL20.9353) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, namelijk 1 mei 2020, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Eiser verblijft sinds 21 januari 2020 in vreemdelingenbewaring. Op 17 maart 2020 zou hij worden uitgezet naar Marokko maar dat is door de corona-crisis niet doorgegaan. Er zijn momenteel geen vluchten naar Marokko en er is geen zicht op hervatting ervan. Ook op aanvraag van eiser voor een vervangend reisdocument bij het consulaat van Marokko is geen reactie gekomen.
4.1
Deze beroepsgronden zijn al bij de uitspraak van 8 mei 2020 betrokken en zijn onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1141) verworpen. De rechtbank ziet in het enkele tijdsverloop sinds 1 mei 2020 geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
De uitspraak is gedaan op:
Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken
op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt
deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.