ECLI:NL:RBDHA:2020:5521

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2020
Publicatiedatum
19 juni 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2696
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij weigering WIA-uitkering

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WIA-uitkering per 28 oktober 2019 en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of sprake was van onverwijlde spoed, zoals vereist op grond van artikel 8:81 Awb Pro.

Verzoekster stelde dat haar financiële noodsituatie en het gedwongen staken van haar psychische behandeling door huisvestingsproblemen spoedeisend waren. Zij kon haar huur niet meer betalen en moest haar woning verlaten, wat een stabiele thuissituatie voor haar behandeling vormde. Verweerder betwistte het spoedeisend belang omdat verzoekster sinds december 2019 een bijstandsuitkering ontvangt.

Tijdens de zitting bleek dat verzoekster inmiddels bij een vriendin verblijft en geen vaste lasten meer heeft, waardoor het financiële spoedeisend belang verviel. Het medische spoedeisend belang bleef echter bestaan omdat zij haar behandeling moest staken en de afstand tot de behandellocatie te groot is om deze voort te zetten. De lange duur van de bezwaarprocedure draagt ook bij aan het spoedeisend belang.

De rechtbank oordeelde dat de wens om de behandeling voort te zetten onvoldoende is voor spoedeisend belang en dat geen onomkeerbare medische situatie is gebleken. Ook de duur van de bezwaarprocedure is op zichzelf onvoldoende. Verweerder gaf aan dat een verzekeringsarts binnenkort onderzoek kan verrichten en verzoekster verweerder zo nodig kan sommeren.

De voorzieningenrechter concludeerde dat onvoldoende spoedeisend belang bestaat en wees het verzoek af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/2696
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Bathoorn),
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; afdeling bezwaar en beroep, verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2019 heeft verweerder met ingang van 28 oktober 2019 verzoekster een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze plaatsgevonden op 3 juni 2020. Verzoekster en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Ten tijde van het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening voerde verzoekster in het kader van het spoedeisend belang twee gronden aan, te weten haar financiële noodsituatie en het gedwongen staken van de behandeling van haar psychische problemen in verband met huisvestingsproblematiek. Als gevolg van de afwijzing van de WIA-uitkering is het inkomen van verzoekster na de beëindiging van de Ziektewetuitkering op 27 oktober 2019 gedaald van € 1.500,- naar
€ 816,68 netto per maand. Omdat verzoekster haar huur niet meer kon betalen, diende zij uiterlijk 15 april 2020 haar huurwoning te verlaten. Deze huurwoning vormde echter een stabiele en veilige thuissituatie, die verzoekster nodig had in verband met de behandeling van haar psychische problemen. Verweerder betwist dat sprake is van spoedeisend belang en voert hiertoe aan dat verzoekster sinds december 2019 een bijstandsuitkering geniet, waarmee zij in beginsel in haar levensonderhoud moet kunnen voorzien.
4. Ter zitting is gebleken dat verzoekster de huurwoning heeft verlaten en sindsdien bij een vriendin verblijft. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoekster ter zitting bevestigd dat de financiële situatie van verzoekster niet meer ten grondslag ligt aan het spoedeisend belang, omdat zij geen vaste lasten meer heeft. De medische grondslag voor het spoedeisend belang is volgens verzoekster echter onverkort van toepassing. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat verzoekster de behandeling voor haar mentale problematiek heeft moeten staken. Nu verzoekster slechts een bijstandsuitkering ontvangt en geen eigen woning heeft, kan zij niet zorgdragen voor de stabiele, veilige thuissituatie die vereist is om haar behandeling voort te zetten. Indien het al mogelijk zou zijn om de woning van haar vriendin tot een dergelijke veilige plek te maken, is de afstand tussen de woning van haar vriendin en de behandellocatie te groot om de behandeling weer op te starten. Het feit dat de bezwaarprocedure van verzoekster inzake de WIA-uitkering in verband met de corona-maatregelen veel tijd in beslag neemt, brengt mee dat de huidige situatie langer zal voortduren dan wenselijk is met het oog op de gewenste behandeling. Verzoekster legt daarom ook de lange duur van de periode waarin zij geen duidelijkheid omtrent haar WIA-uitkering krijgt ten grondslag aan het spoedeisend belang.
5. De rechtbank heeft begrip voor de moeilijke situatie waarin verzoekster verkeert en haar wens om de behandeling voort te zetten. De wens om de behandeling op korte termijn weer aan te laten vangen vormt naar het oordeel van de rechtbank echter niet voldoende grond om spoedeisend belang aan te nemen. Dat er sprake is van een situatie waarin medisch gezien een onomkeerbare situatie dreigt is niet gebleken. Ten aanzien van de duur van de bezwaarprocedure en de daarmee samenhangend onduidelijkheid over het recht op een WIA-uitkering overweegt de rechtbank, dat dat op zichzelf niet voldoende is om spoedeisend belang aan te nemen. Daarbij komt dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat het op korte termijn mogelijk zal zijn om een verzekeringsarts onderzoek te laten verrichten en dat verzoekster verweerder zo nodig in gebreke kan stellen.
6. De conclusie is dat er onvoldoende spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2020 door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is vanwege de maatregelen rond het coronavirus op de uitspraakdatum niet in het openbaar uitgesproken. Dit zal op een later moment alsnog gebeuren. De uitspraak wordt zo spoedig mogelijk gepubliceerd op
www.rechtspraak.nl
griffier voorzieningenrechter
De griffier is niet in staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.