ECLI:NL:RBDHA:2020:5310

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2020
Publicatiedatum
16 juni 2020
Zaaknummer
NL19.30788 en NL19.30789
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 6:20 AwbArtikel 28 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding bij intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen

Verzoekers hadden beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel. Nadat verweerder alsnog een besluit had genomen, trokken verzoekers hun beroep in en verzochten om vergoeding van proceskosten.

Hoewel het verzoek om proceskostenvergoeding niet in de intrekkingsverklaring stond, maar in een afzonderlijk memo op dezelfde dag, oordeelde de rechtbank dat dit binnen de redelijke uitleg van 'tegelijk met' in artikel 8:75a Awb valt. Verweerder betwistte de kostenveroordeling, stellende dat intrekking afstand van kostenvergoeding betekende.

De rechtbank stelde vast dat de verzoeken samenhangende zaken betroffen en kende proceskosten toe van €262,50 aan verzoekers. De uitspraak is gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen en kan binnen zes weken worden bestreden door verzet.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van €262,50 aan proceskosten aan verzoekers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.30788 en NL19.30789

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , verzoekers,

V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Op 17 december 2019 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Bij besluiten van 5 maart 2020 heeft verweerder alsnog op de aanvragen van verzoekers beslist.
Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers de beroepen ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op deze verzoeken. Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting
bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de
behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken.
3.
Op grond van artikel 8;75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van
intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener
van het beroep is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan met toepassing van artikel 8:75 in Pro
de proceskosten veroordelen, indien daarom bij intrekking wordt verzocht.
4. Bij brieven van 16 maart 2020 heeft verweerder het volgende standpunt ingenomen.
Verweerder ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Onder verwijzing naar artikel 6:20, derde lid, Awb geldt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen
van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan
het beroep tegemoet komt. Verzoekers hebben zich niet kunnen verenigen met de besluiten op bezwaar en hebben nieuwe beroepen ingesteld. Verweerder is van mening dat het intrekken van de beroepen als gevolg heeft dat verzoekers afstand hebben gedaan van een eventuele proceskostenveroordeling.
5. Uit het elektronisch dossier blijkt dat eisers in de intrekkingsverklaring niet hebben gevraagd om een proceskostenvergoeding, maar dat verzoek wel hebben gedaan in een afzonderlijk memo, dat enkele uren daarna, dezelfde dag, in het dossier is geplaatst. De term “tegelijk met” in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb moet redelijk worden uitgelegd en vereist daarom niet dat het verzoek proceskosten in hetzelfde geschrift wordt vermeld als de intrekking en evenmin dat het op precies hetzelfde tijdstip is gedaan. Met indiening op dezelfde dag is nog voldoende binnen de grenzen van de term “tegelijk met” gebleven. Zie in dit verband ook CRvB 28 april 2005, LJN AT 5580.
6. Het voorgaande betekent dat er termen zijn voor een proceskostenveroordeling. Omdat beide zaaknummers samenhangende zaken betreffen in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht worden zij beschouwd als één zaak. Uitgegaan wordt van 1 punt voor het indienen van de beroepen, en een waarde van 0,5 per punt omdat hier slechts de tijdigheid van het besluit in geding is geweest. De bestuursrechter stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 262,50.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 262,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van
L. van Zuijlekom, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.