Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2020 in de zaak tussen
Stichting Marente, te Voorhout, eiseres
Procesverloop
4 december 2019 heeft de rechtbank, na een verzoek daartoe door verweerder, de in de tussenuitspraak vermelde termijn verlengd tot 31 januari 2020.
7 april 2020 gesloten.
Overwegingen
29 januari 2020 een aanvullende motivering verstrekt in de zin van een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 29 januari 2020. Het aanvullend medisch oordeel is gebaseerd op de brief van bedrijfsarts [bedrijfsarts] ( [bedrijfsarts] ) van 21 juni 2018, medische informatie van GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] van 21 december 2018 en het spreekuur op 13 januari 2020. In zijn rapport stelt de verzekeringsarts b&b dat er sprake is van een actuele relatieve verbetering van de omstandigheden van de werknemer. Er is geen sprake van intensieve begeleiding. Met medicatie zijn er heden geen doorlopende aanwijzingen voor belemmerende hallucinaties. Er is een bedrukte stemming of zelfs stemmingsstoornis bij de werknemer aan de orde, maar het is niet duidelijk of dit persoonsgebonden of situationeel is. Uit de informatie van de GZ-psycholoog blijkt dat dit in december 2018 in ieder geval in remissie was. De licht verstandelijke handicap van de werknemer introduceert geen doorlopende beperking in de inschatting van haar belastbaarheid. Het sociaal isolement is een reden voor eventueel beschermd wonen maar geen indicatie voor intensieve psychiatrische behandeling. Overigens weigert de werknemer dit en kennelijk is zij zelfstandig (toerekeningsvatbaar) genoeg om dit niet vanuit de GGZ professioneel ter discussie te stellen, aldus de verzekeringsarts b&b. Uit de voornoemde bevindingen concludeert de verzekeringsarts b&b dat de duur van de volledige arbeidsongeschiktheid geen doorlopende correlatie heeft met de aard en ernst van de aandoeningen van de werknemer.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat de werknemer met ingang van 25 april 2018 recht heeft op een IVA- uitkering;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 338,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 656,25 te betalen aan eiseres.