ECLI:NL:RBDHA:2020:5064
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen schorsing Ziektewet-uitkering
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening gevraagd tegen de schorsing van zijn Ziektewet-uitkering met ingang van 3 juni 2019. De uitkering was door het UWV geschorst en de afhandeling van zijn ziekmelding opgeschort. Verzoeker wilde dat de uitkering alsnog werd uitbetaald over de periode 3 juni 2019 tot en met 28 februari 2020 zonder verdere verplichtingen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen omdat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang heeft aangetoond. Hoewel verzoeker financieel in een ongewenste positie verkeert, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie die het onevenredig bezwaarlijk maakt om de bezwaarprocedure af te wachten. De periode waarvoor de uitkering wordt gevorderd is bovendien afgesloten en het recht op uitkering was naar verwachting op het moment van het verzoek reeds geëindigd.
De voorzieningenrechter benadrukt dat de jurisprudentie omtrent spoedeisend belang strikt is en dat alleen bij acute financiële nood een voorlopige voorziening kan worden getroffen. Verzoeker heeft niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd dat hij in zulke nood verkeert. Tevens is opgemerkt dat verzoeker in geval van daadwerkelijke bijstandsbehoefte aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Participatiewet.
De uitspraak is gedaan op 9 juni 2020 door voorzieningenrechter O.M. Harms, en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de schorsing van de Ziektewet-uitkering is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.