ECLI:NL:RBDHA:2020:5012

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2020
Publicatiedatum
5 juni 2020
Zaaknummer
20/2537
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet langdurige zorgParticipatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing indicatie Wet langdurige zorg

Verzoekster heeft een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) aangevraagd, gericht op het verkrijgen van een persoonsgebonden budget (pgb) voor 24-uurszorg, welke momenteel door haar dochter wordt verleend. De aanvraag werd afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard, waarna verzoekster een voorlopige voorziening heeft gevraagd.

De voorzieningenrechter beoordeelde of sprake was van een spoedeisend belang, dat wil zeggen een acute medische noodsituatie die onmiddellijke voorziening vereist. Uit het dossier bleek dat verzoekster naast de zorg van haar dochter ook 2 à 3 keer per dag professionele thuiszorg ontvangt voor persoonlijke verzorging en medicatie. De dochter verzorgt verzoekster, regelt het huishouden en medische afspraken, maar is niet gestopt met de zorg.

Hoewel de situatie complex is en de dochter mogelijk tegen haar grenzen aanloopt, acht de voorzieningenrechter dit onvoldoende voor een spoedeisend belang. Vertraging in de financiering van de zorg leidt niet tot een acute noodsituatie. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening bij de afwijzing van de Wlz-zorgindicatie wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/2537

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. D. Coskun),

en

het Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeksters aanvraag van zorg ingevolge de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen.
Bij besluit van 13 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter kan ingevolge 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien het verzoek kennelijk ongegrond is.
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in dit geval van deze bevoegdheid gebruik te maken.
4. Verzoekster heeft hangende beroep een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
5. De voorzieningenrechter beoordeelt allereerst of sprake is van een spoedeisend belang bij het verzoek om, in afwachting van de uitspraak in beroep, op dit moment een voorlopige voorziening te treffen. Dat is het geval wanneer sprake is van een acute (medische) noodsituatie.
6. Verzoekster heeft een indicatie aangevraagd voor zorg vanuit de Wlz. De voorzieningenrechter leidt uit het dossier af dat zij met die indicatie een persoonsgebonden budget (pgb) wenst te verkrijgen waarmee zij 24 uurszorg kan inkopen, zorg die volgens verzoekster thans (met name) wordt verleend door haar dochter [A] ( [A] ). De voorzieningenrechter begrijpt verder uit de stukken dat [A] een uitkering in het kader van de Participatiewet heeft en vreest dat de door haar geboden zorg aan moeder consequenties heeft voor haar uitkering. Verweerder heeft geen indicatie voor Wlz-zorg afgegeven. Volgens verzoekster is daarmee sprake van een noodsituatie, omdat verdere vertraging in de financiering van de 24 uurs zorg zal betekenen dat de noodzakelijke zorg onder de gegeven omstandigheden niet meer kan worden geleverd.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de brief van cliëntondersteuner [B] van 11 februari 2020 blijkt dat dochter [A] verzoekster verzorgt. Daarnaast doet zij het complete huishouden, ziet zij er op toe dat verzoekster haar medicijnen inneemt, regelt de financiën en de afspraken met specialisten. Gesteld noch gebleken is dat dochter [A] inmiddels is gestopt met het verzorgen van verzoekster. Naast de hulp van [A] , krijgt verzoekster 2 á 3 keer per dag hulp van thuiszorg [thuiszorginstelling] uit [plaats] bij de persoonlijke verzorging en medicatie. De thuiszorg helpt haar soms ook met licht huishoudelijk werk of begeleiding buitenshuis. De cliëntondersteuner biedt verzoekster hulp bij haar administratie.
8. Gelet op wat onder 7. is overwogen, oordeelt de voorzieningenrechter dat geen sprake is van een situatie dat door de afwijzing van de aanvraag van Wlz-zorg, een (medische) noodsituatie is ontstaan. Alhoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie van verzoekster en haar dochter complex is, heeft verzoekster desondanks dus het spoedeisend belang bij het niet langer kunnen wachten op de uitkomst van de beroepsprocedure niet (voldoende) onderbouwd. Dat dochter [A] gelet op verzoeksters situatie tegen haar grenzen aanloopt, betekent immers niet – hoe ongewenst die situatie voor beiden ook is – dat verzoekster daarom een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om een voorlopige voorziening, zoals bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
9. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek afwijzen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2020 door mr. O.M. Harms, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier.
Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
de griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.