ECLI:NL:RBDHA:2020:4886
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag en vergrijpboete loonheffing door directeur-grootaandeelhouder
Eiser, directeur-grootaandeelhouder van een BV, had in de aangifte IB/PVV 2015 loon en loonheffing aangegeven conform een jaaropgave, terwijl de BV geen loonheffing had ingehouden of afgedragen. Na een boekenonderzoek legde de Belastingdienst een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 op, inclusief een vergrijpboete van 50% en belastingrente.
Eiser voerde aan dat hij mocht vertrouwen op de afdracht van loonheffing door de BV, mede vanwege de betrokkenheid van een adviseur en een curator. De rechtbank oordeelde dat eiser niet te goeder trouw was, omdat hij als feitelijk werkgever en jaaropgaveverstrekker moest weten dat de jaaropgave onjuist was. De curator trad pas laat in beeld en de BV had geen loonadministratie of inhoudingsplichtige status.
De rechtbank stelde vast dat sprake was van voorwaardelijk opzet, omdat eiser moest weten dat de primitieve aanslag te laag was vastgesteld. De vergrijpboete werd daarom passend en geboden geacht. De belastingrente was correct berekend en er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De navorderingsaanslag, vergrijpboete en belastingrente zijn terecht opgelegd; het beroep wordt ongegrond verklaard.